donderdag 3 juli 2014

Golfen.

Rune en Julia hebben langs de golfbaan golfballetjes gevonden. Wel 50 verschillende. Mamma is daar ooit mee begonnen. Golfballetjes zoeken langs golfbanen. En als je er eenmaal een paar hebt gevonden, wil je iedere keer weer zoeken. Lang niet altijd kan dat. Je mag bijvoorbeeld nooit op de baan komen, alleen maar aan de randen lopen. En in Nederland kan zelfs dat helemaal niet, want daar mag je niet eens bij de banen in de buurt komen.

Julia en Rune nemen de ballen mee op de trampoline. Ze leggen de ballen in het midden van de mat en dan beginnen ze te springen. De balletjes stuiteren alle kanten op. Als Julia en Rune rechtop blijven staan gaat dat goed, maar als ze vallen of gewoon even op de mat willen zitten, gaat het mis. Dan stuitert zo’n bal tegen je hoofd aan. En dat doet best zeer.

Terwijl ze allebei met een bult op hun hoofd op de mat zitten, zien ze opeens iets interessants. Aan de onderkant van de regenpijp ligt een verlengstuk. Een stuk goot, zodat het regenwater een stuk verder van het huis de grond in zakt.  Aan de bovenkant van de regenpijp zit een zelfde goot. ‘Als we nu eens een balletje in die goot gooien, dan rolt hij zo via de regenpijp en de halve pijp het gras in. Dan kunnen we echt golfen!’Julia en Rune springen van de trampoline op de grond en gaan onder het huis staan. 1 voor 1 gooien ze een balletje omhoog in de hoop dat die in de goot terecht komt.

Dat gaat een hele tijd goed. Ze gooien de balletjes omhoog en soms rolt er een balletje roets naar beneden door de regenpijp. Vlak voor hun voeten komt hij tot stilstand om vervolgens met een zwieper weer de lucht in te gaan. Na 10 minuten zijn de balletjes op. Ze liggen allemaal in de regengoot. ‘En nu?’ ‘Nu ga ik naar boven om met een stok de ballen door het gat te duwen. Wacht even.’ Julia rent naar boven en doet de deur naar het balkon open. Daar mag ze eigenlijk niet komen, want mamma is bang dat ze dan naar beneden valt. Maar ik ben geen baby meer denkt Julia en daarnaast let mamma toch niet op. Die zit weer eens te lezen. Met een stok duwt ze de ballen richting het gat in de goot. Roets, roets, roets, roets, allemaal gaan ze naar beneden. Rune danst beneden van plezier. ‘Kom je naar beneden? Dan doen we nog een ronde!’ Julia rent de trap weer af en pakt net als Rune een bal. ‘Bij 3 gooien we allebei tegelijk een bal omhoog. Oké? 1-2-3!’

RINKEL! Met een oorverdovende klap slaat 1 van de ballen een enorm gat in de ruit. Ze zien oma met grote ogen van schrik om zich heen kijken en ze zien hoe mamma uit de woonkamer komt en boos is op oma. “Wat doet u nu?’ Horen ze mamma tegen oma roepen. Oma kan alleen maar naar het gat in het raam wijzen. Mamma kijkt waar oma met open mond naar wijst en ziet dan een groot rond gat in de antieke ruit zitten. Daarachter ziet ze twee huilende kinderen.


‘Wat hebben jullie in hemelsnaam gedaan? Ik schrok me een apehoedje!’ Mamma kijkt naar alle golfballen en dan weer naar het raam. ‘Zijn jullie gek geworden? Gaan jullie nu gewoon golfballen door mijn ramen gooien? Naar binnen jullie!’ ‘We gingen geen ballen door het raam gooien,’ snikt Julia ‘we gooiden de balletjes in de dakgoot en dan rolden ze via de regenpijp naar beneden en kwamen ze voor onze voeten terecht.’ ‘En ik denk dat de bal van Julia door het raam ging hoor mam.’ Snikt Rune nog veel harder.’ Echt niet. Ik zag mijn balletje omhoog vliegen. Ik denk dat het de bal van Rune was hoor mam.’ Mamma kijkt naar twee snikkende kinderen, naar een berg glas, naar een groot gapend gat in het raam en naar oma die nog steeds met open mond en verschrikte ogen naar buiten staat te wijzen. Dan begint ze te lachen. Het beeld van oma is ook wel heel erg raar. ‘Kom jongens, dan tapen we het raam af en dan zetten we er in de zomer wel een nieuw raam in. Er zal eens een doodnormale saaie dag mogelijk zijn met jullie.’ Zegt mamma met boze stem, maar Rune en Julia zien allebei dat mamma pretlichtijes in haar ogen heeft. Mamma wil helemaal geen doodnormale saaie kinderen en ook geen doodnormale saaie dag.


woensdag 25 juni 2014

Kijken vanuit een ander perspectief.

Van de school van mijn kinderen mocht ik een boek lenen over kunstprojecten/ of kunstvorming binnen het basisonderwijs. Het boek bracht me niet de verdieping die ik er in dacht te vinden. Het bracht me wel iets anders. Een inzicht in mezelf. Best verhelderend om te lezen dat ik mijn gezin helemaal niet hoef te verdedigen tegenover de buitenwereld. Wij hebben nu eenmaal een andere kijk op het leven. Op de maatschappij. En dat is juist goed lees ik in dat boek.

Het is heel verfrissend om vanuit een ander perspectief naar dingen te kijken. Helaas werkt de huidige maatschappij nog niet erg mee met betrekking tot het anders kijken. Het anders handelen van mij en mijn kinderen op zaken die dagelijks gebeuren.

Zo zitten de oudste 2 op musical les. (Niet aan school verbonden) In een aantal middagen werden ze klaargestoomd om een musical neer te zetten. Tijdens 1 van die middagen zat ik met mijn laptop in dezelfde ruimte te werken als waar de repetitie was. 1 enorme chaos was het. De docent had de groep totaal niet in de hand, en rende al schreeuwend en dansend in de rondte , terwijl ze het volume van de muziek nog iets opschroefde in de hoop dat de groep dan rustiger werd. Het tegenovergestelde was uiteraard het geval. Tijdens 1 van die momenten, terwijl ze wederom het volume van de muziek bijstelde, vertrouwde ze mij iets toe. ‘Er zitten 3 kinderen in deze groep waar helemaal niets mee te beginnen is.’ Rare drukke kinderen waren het, die nergens naar luisterden en die vooral ook hun eigen inbreng hadden. Daar was duidelijk geen ruimte voor. Stel je voor: een musical voor en door kinderen, waarbij de kinderen ook nog hun eigen inbreng dachten te hebben! Het kan natuurlijk ook te gek. (Ziet u de ironie, die ik ook direct zag?)

Afijn, ze noemde de namen van de 3 kinderen. En één van die namen was die van mijn oudste zoon. En dan had die ook nog eens een zus. Geen land mee te bezeilen. Ik was totaal verbijsterd vanwege het feit dat ze als musicaldocent zo onprofessioneel was, dat ik op dat moment niet eens kon reageren. Wel liet ik na afloop duidelijk blijken dat 2 van de 3 genoemde kinderen van mij waren. Vol liefde gaf ik ze een extra kus. Daarmee was de kous echter nog niet afgedaan. Zoon moest tijdens de uitvoering een bruine broek aan met een beige overhemd. Nu weet ik niet wat beige is, dus dat werd al snel een wit overhemd. Die bruine broek werd wel even een issue thuis. Zoon heeft hele duidelijke voorkeuren met betrekking tot zijn kleding. Onder andere: een bruine broek trek ik niet aan. Een bruine broek aantrekken is voor hem net zoiets als een bord haggis voor mij. Niet aan beginnen.

Waar de juf totaal geen blijk gaf van enig inlevingsvermogen in de leefwereld van haar leerlingen, had zoon dat uiteindelijk wel. Het heeft ons een week gekost, maar tijdens de musical had hij een bruine broek aan. Van zijn vader. Over zijn eigen broek heen, dan hoefde hij de rare gladde stof in ieder geval niet op zijn benen te voelen. Na de eerste scènes, dook hij achter de coulissen en trok snel de bruine broek uit. Een enorme overwinning voor hem. En dat zette mij aan het denken. Want normaal ga ik direct in de verdediging als mijn kinderen iets doen wat door de buitenwereld als gek wordt bevonden. Leg dan uit dat oudste zoon bijvoorbeeld een ASS heeft en dat hij daardoor anders tegen de wereld aankijkt. Waarom eigenlijk vroeg ik me gister af.

Een moeder die een ADHD kind heeft gaat toch ook niet vertellen dat haar kind op tafel staat of met stoelen gooit omdat hij zo druk is in zijn hoofd? Een ouder met een ADD kind gaat ook niet aan een ieder vertellen dat de spanningsboog niet de hele tijd strak gespannen staat. Waarom verdedig ik mezelf dan wel continue? Ik schrijf nu mezelf, want de kinderen hebben geen last van de blik van de buitenwereld. Ik eigenlijk ook niet. En toch betrap ik me er op dat ik (bijvoorbeeld) ga uitleggen dat zoon geen bruine broek aantrekt omdat hij een Ass kind is. Dit keer deed ik dat niet, omdat ik in 1 ogenblik besloot niet met deze docent samen te werken. En de situatie loste zichzelf op. Zoon had een bruine broek aan en ik zat trots in het publiek. De juf was nog net zo onwetend als daarvoor.

Mijn kinderen kijken anders naar het leven. Willen op vrije dagen naar een museum. Willen heel graag nog een keer terug naar het Kröller Müller. Vanwege de fantastische kunstwerken die er buiten liggen. Kunstwerken die een plek hebben in de omgeving. En daardoor voelen mijn kinderen zich daar misschien wel zo thuis. Ze zijn daar ook gewoon een deel van de omgeving. Zijn wie ze zijn. En daar kan ik als moeder dan weer iets van leren. Je mag gewoon zijn wie je bent. Mijn kinderen houden van boeken, houden van kunst, houden van lange wandelingen in de Zweedse natuur. Dat ze daarnaast heel vaak vragen waarom iets is zoals iets is en rustig eindeloos de discussie met je aangaan:  ‘Ja maar..’ is voor mij uiterst vermoeiend. ‘Je gaat nu naar school omdat ik dat zeg! Je gaat nu naar bed omdat ik dat wil! Je gaat nu je vlees opeten omdat ik zeg dat je dat moet doen.’ ‘Ja maar…..’

Als kinderen op een andere manier naar gebeurtenissen kijken, is dat voor mij dan wel vermoeiend,  ze ontwikkelen op die manier wel hun creatieve brein las ik in het boek. En laat ik dat nu de allergrootste rijkdom vinden. Creativiteit bij kinderen. Ik heb me voorgenomen om niet meer continue mijn kinderen te gaan verdedigen, maar om van ze te blijven genieten. Van hun aparte blik op de wereld, en als er dan een docent opstaat die niets van ze begrijpt,wens ik hem of haar veel sterkte en wijsheid. En zal ik de tip geven om vooral goed naar mijn kinderen te kijken. Kan hij of zij nog heel wat leren. Ik leer in ieder geval dagelijks bij. Behalve als ik te moe ben, stuur ik ze evengoed gewoon op tijd naar bed, omdat ik dat zeg!
p.s. Uiteraard hebben de mensen uit onze directe omgeving, mensen met wij we vaker te maken hebben, wel de informatie die nodig is om samen met de kinderen en met ons tot een samenwerking te komen. De docenten op de basisschool zijn allemaal leerkrachten met het hart op de juiste plaats en zullen altijd naar het individuele kind blijven kijken. Of dat nu 1 van mijn kinderen is, of een andere leerling. Ieder kind is uniek.

vrijdag 20 juni 2014

Simon en Annie gaan samen op de brommer.

We schrijven 1960. Een klein dorpje in Noord-Holland. Een dorpje met nog een echte dorpsagent. Met een hoed en zijn voornaamste taak bestaat uit het gevangen zetten van de dorpsjeugd die weer eens met propjes schoot op voorbijgaande buren. Dorpsjeugd die zonder te betalen een plakje worst bij de slager wegkaapte. Dan kwam meneer agent om de hoek en hij vatte je met een ferme hand in de kraag. Daar zat je als bibberende, opeens niet meer zo stoere, 8 jarige in het gevang. Met raampjes op de hoogte van de stoep. Zodat je de hele middag alleen maar langslopende schoenen zag. Meestal mocht je met het avondeten weer naar huis. Meestal. Soms werd je vergeten door meneer de agent. Hij liep statig naar huis en tikte bij iedereen die hij tegenkwam even tegen zijn pet. Bij de burgemeester nam hij hem zelfs af. De aardappelen stonden op tafel bij moeders de vrouw. En daar zat je dan. Je vader kwam vanzelf kijken. Op zijn knieën op de stoep. ‘Jacob, ben jij daar?’ ‘Ja, pap. Ik wil er uit!’ ‘Tsja, jongen, dat had je dan eerder moeten bedenken. Ik laat mamma straks wel een deken brengen. Tot morgen jongen.’ ‘Maar pappa!’ Pappa was echter al weer op weg naar huis. Je hoorde zijn klompen nog een tijdje kleppen op de stoep.

Zo’n dorpje dus. Met een veldwachter, een dorpsdokter die nog zelf de bevallingen deed, een burgemeester en een slager met een plakje worst. Daar had je rond 1960 opeens een groep branieschoppers die geen 8 meer waren, die ook geen plakje worst meer meenamen, maar rondliepen in leren jassen en lange baarden. Schande werd er gesproken. De raad van wijze dorpsgenoten kwam avond na avond bij elkaar onder de grote iep op het dorpsplein. Zo ook die ene avond. De avondrust werd wreed verstoord door een hard geluid. De mannen, die allemaal de oorlog vers in hun geheugen hadden, keken angstig om zich heen. ‘De oorlog!’Mompelde de een. ‘Een vliegtuig!’ Zei een ander. ‘De nozems! De nozems komen!’ Wees de jongste wijze man. ‘De nozems komen!’ Aan het einde van de straat werden 7 motoren zichtbaar. Jongens met lange baarden, leren jassen en ijzeren helmen op het hoofd. Vrouwen stonden voor de ramen, met kroost onder de rok.

1 van de jongens stopte vlak voor de raad der wijze mannen. ‘Ha Pa! Zal ik u naar huis brengen?’ ‘Nee, hoor jongen. Voor geen goud ga ik op zo’n levensgevaarlijk vuurspuwend monster. Ik loop. Dat doe ik al mijn leven lang.’ De jongen stapte weer op zijn machine en reed met luid kabaal weg. De mannen liepen al hoofdschuddend naar huis, waar de kinderen weer onder de rokken vandaan waren gekomen. Simon liep ook terug met een grote grijns op zijn gezicht. Die zoon van mij, dat is me der eentje. Maar van mijn levensdagen ga ik niet op zijn helse machine.

Dat liep anders. Een aantal jaar later waren motoren en brommers ingeburgerd in het pittoreske plattelandsdorpje. En Simon kwam vol trots thuis uit zijn werk. ‘Kijk eens Annie, wat ik hier nu heb!’ Op het achterpleintje stond een zwarte brommer. Laten we hem een Zundapp noemen. Alleen maar omdat ik dat zo’n mooi woord vind. Zundapp. Oma Annie kwam naar buiten en bekeek de wonderlijke fiets. ‘Wat moeten we daar nu mee?’ ‘Ritjes maken. We gaan samen ritjes maken. Vanavond al. Gaan we samen op de brommer naar je zus.’ ‘En waar zit ik dan?’ ‘Hier.’ En opa Simon wees naar twee ijzeren stangen.

Zo kwam het dat Opa Simon en oma Annie samen van huis gingen. Simon voorop. Annie achterop. Bij de treinbaan stopten ze even. In de verte kwam de trein. Oma Annie stapte af. Die stangen deden zeer. Ze zat niet echt heel comfortabel. Nadat de trein voorbij was, wilde ze weer opstappen, maar tot haar verbazing gaf Simon een dot gas en stoof er vandoor. Deels omdat hij zijn machine nog niet helemaal onder controle had, deels omdat hij opeens een stuk lichter was. Verbijsterd bleef Annie staan. Ze zwaaide nog en ze riep zelfs nog naar haar in de verte verdwijnende man. ‘Joehoe! Simon! Ik sta nog hier!’ Maar Simon merkte niets. Annie begon te lopen en werd met iedere stap bozer en bozer. Bij de eerste boerderij die ze tegenkwam ging ze naar binnen. Ze riep nog even ‘Volk!’ En stapte over de drempel. Daar deed ze haar verhaal. Met een beker warme melk in haar handen keek ze in de opkamer door de raampjes om te zien of Simon al terugkwam. En warempel, na een half uur zag ze in de verte een brommer verschijnen. Het was Simon. Simon die pas bij zijn zwager en schoonzus na de eerste kop koffie, bemerkte dat hij zijn vrachtje onderweg verloren was.


Oma Annie was boos. Heel boos. Nooit heeft ze meer achterop gezeten. En vanaf dat moment had ze altijd een kussentje onder de bagagedrager van haar fiets. Want het zou haar niet gebeuren dat ze een passagier verliezen zou.  Ik erfde haar fiets en gister haalde ik oudste zoon op bij zijn DJ Cursus. Bij een heuveltje sprong hij van de bagagedrager af, omdat zijn billen zeer deden op die harde ijzeren stangen. Ook ik fietste vrolijk door. (Hoewel ik wel in de gaten had dat ik hem kwijt was) ‘Super schat! Zo fiets ik soepel!’ Een lachende zoon kwam achter me aan en opperde dat een kussentje onder de snelbinders geen overbodige luxe zou zijn. Er is in een halve eeuw echt niet zoveel veranderd in Nederland. Alleen die kwajongens worden niet meer opgesloten in het schavot.