Posts tonen met het label Schrijven.. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Schrijven.. Alle posts tonen

vrijdag 20 juni 2014

Simon en Annie gaan samen op de brommer.

We schrijven 1960. Een klein dorpje in Noord-Holland. Een dorpje met nog een echte dorpsagent. Met een hoed en zijn voornaamste taak bestaat uit het gevangen zetten van de dorpsjeugd die weer eens met propjes schoot op voorbijgaande buren. Dorpsjeugd die zonder te betalen een plakje worst bij de slager wegkaapte. Dan kwam meneer agent om de hoek en hij vatte je met een ferme hand in de kraag. Daar zat je als bibberende, opeens niet meer zo stoere, 8 jarige in het gevang. Met raampjes op de hoogte van de stoep. Zodat je de hele middag alleen maar langslopende schoenen zag. Meestal mocht je met het avondeten weer naar huis. Meestal. Soms werd je vergeten door meneer de agent. Hij liep statig naar huis en tikte bij iedereen die hij tegenkwam even tegen zijn pet. Bij de burgemeester nam hij hem zelfs af. De aardappelen stonden op tafel bij moeders de vrouw. En daar zat je dan. Je vader kwam vanzelf kijken. Op zijn knieën op de stoep. ‘Jacob, ben jij daar?’ ‘Ja, pap. Ik wil er uit!’ ‘Tsja, jongen, dat had je dan eerder moeten bedenken. Ik laat mamma straks wel een deken brengen. Tot morgen jongen.’ ‘Maar pappa!’ Pappa was echter al weer op weg naar huis. Je hoorde zijn klompen nog een tijdje kleppen op de stoep.

Zo’n dorpje dus. Met een veldwachter, een dorpsdokter die nog zelf de bevallingen deed, een burgemeester en een slager met een plakje worst. Daar had je rond 1960 opeens een groep branieschoppers die geen 8 meer waren, die ook geen plakje worst meer meenamen, maar rondliepen in leren jassen en lange baarden. Schande werd er gesproken. De raad van wijze dorpsgenoten kwam avond na avond bij elkaar onder de grote iep op het dorpsplein. Zo ook die ene avond. De avondrust werd wreed verstoord door een hard geluid. De mannen, die allemaal de oorlog vers in hun geheugen hadden, keken angstig om zich heen. ‘De oorlog!’Mompelde de een. ‘Een vliegtuig!’ Zei een ander. ‘De nozems! De nozems komen!’ Wees de jongste wijze man. ‘De nozems komen!’ Aan het einde van de straat werden 7 motoren zichtbaar. Jongens met lange baarden, leren jassen en ijzeren helmen op het hoofd. Vrouwen stonden voor de ramen, met kroost onder de rok.

1 van de jongens stopte vlak voor de raad der wijze mannen. ‘Ha Pa! Zal ik u naar huis brengen?’ ‘Nee, hoor jongen. Voor geen goud ga ik op zo’n levensgevaarlijk vuurspuwend monster. Ik loop. Dat doe ik al mijn leven lang.’ De jongen stapte weer op zijn machine en reed met luid kabaal weg. De mannen liepen al hoofdschuddend naar huis, waar de kinderen weer onder de rokken vandaan waren gekomen. Simon liep ook terug met een grote grijns op zijn gezicht. Die zoon van mij, dat is me der eentje. Maar van mijn levensdagen ga ik niet op zijn helse machine.

Dat liep anders. Een aantal jaar later waren motoren en brommers ingeburgerd in het pittoreske plattelandsdorpje. En Simon kwam vol trots thuis uit zijn werk. ‘Kijk eens Annie, wat ik hier nu heb!’ Op het achterpleintje stond een zwarte brommer. Laten we hem een Zundapp noemen. Alleen maar omdat ik dat zo’n mooi woord vind. Zundapp. Oma Annie kwam naar buiten en bekeek de wonderlijke fiets. ‘Wat moeten we daar nu mee?’ ‘Ritjes maken. We gaan samen ritjes maken. Vanavond al. Gaan we samen op de brommer naar je zus.’ ‘En waar zit ik dan?’ ‘Hier.’ En opa Simon wees naar twee ijzeren stangen.

Zo kwam het dat Opa Simon en oma Annie samen van huis gingen. Simon voorop. Annie achterop. Bij de treinbaan stopten ze even. In de verte kwam de trein. Oma Annie stapte af. Die stangen deden zeer. Ze zat niet echt heel comfortabel. Nadat de trein voorbij was, wilde ze weer opstappen, maar tot haar verbazing gaf Simon een dot gas en stoof er vandoor. Deels omdat hij zijn machine nog niet helemaal onder controle had, deels omdat hij opeens een stuk lichter was. Verbijsterd bleef Annie staan. Ze zwaaide nog en ze riep zelfs nog naar haar in de verte verdwijnende man. ‘Joehoe! Simon! Ik sta nog hier!’ Maar Simon merkte niets. Annie begon te lopen en werd met iedere stap bozer en bozer. Bij de eerste boerderij die ze tegenkwam ging ze naar binnen. Ze riep nog even ‘Volk!’ En stapte over de drempel. Daar deed ze haar verhaal. Met een beker warme melk in haar handen keek ze in de opkamer door de raampjes om te zien of Simon al terugkwam. En warempel, na een half uur zag ze in de verte een brommer verschijnen. Het was Simon. Simon die pas bij zijn zwager en schoonzus na de eerste kop koffie, bemerkte dat hij zijn vrachtje onderweg verloren was.


Oma Annie was boos. Heel boos. Nooit heeft ze meer achterop gezeten. En vanaf dat moment had ze altijd een kussentje onder de bagagedrager van haar fiets. Want het zou haar niet gebeuren dat ze een passagier verliezen zou.  Ik erfde haar fiets en gister haalde ik oudste zoon op bij zijn DJ Cursus. Bij een heuveltje sprong hij van de bagagedrager af, omdat zijn billen zeer deden op die harde ijzeren stangen. Ook ik fietste vrolijk door. (Hoewel ik wel in de gaten had dat ik hem kwijt was) ‘Super schat! Zo fiets ik soepel!’ Een lachende zoon kwam achter me aan en opperde dat een kussentje onder de snelbinders geen overbodige luxe zou zijn. Er is in een halve eeuw echt niet zoveel veranderd in Nederland. Alleen die kwajongens worden niet meer opgesloten in het schavot.

woensdag 19 maart 2014

Het vreemde verhaal over de vriendschap tussen een trol en een reus.

Ooit leefde er in een groot en donker bos, aan de rand van een meer een trol. Thor. Dat was zijn naam. Thor de trol. En Thor de trol was een beetje apart. Alle mensen waren bang voor alle trollen. Maar niemand van de mensenmassa was bang voor Thor. Dat kwam doordat Thor geen enge pukkels op zijn hoofd had; geen dikke bossen haar op zijn handen; geen  bochel op zijn rug had, en ook zeker geen kromme benen. Thor was eigenlijk een hele knappe trol. En alle trollen om hem heen vonden dat verschrikkelijk! Want de mensen kwamen steeds een beetje dichter naar hun schuilplek. Diep in het donkere bos. En het allerergste vonden ze dat de mensen kindertjes steeds dichter bij het diepe blauwe water kwamen. Ze waren namelijk opeens helemaal niet meer bang voor de trollen die in het donkere bos woonden, en ook niet voor de trollen die in het water leefden. Want ze hadden Thor ontdekt. Thor die heel knap en heel lief was. En zo kwam het dat als er kindertjes te dicht bij het water kwamen, ze helemaal niet hard gillend wegrenden naar huis, maar dat ze nog een stukje dichterbij kwamen als ze een trol uit het water zagen komen. En als je niet uitkeek, gooide zo’n mensenkind ook nog een bal het water in. En dan moest je samen spelen! Nog nooit hadden trollen samen gespeeld met mensen! De trollen vonden dat Thor maar ergens anders moest gaan wonen. Ver weg van het bos aan het water.

Aan de andere kant van het water woonde Per. Per de reusachtige reus. Per gooide steentjes. Dat vond hij leuk. Alle steentjes die op zijn pad lagen, pakte hij op en gooide ze ver weg. De boeren in het dorp vonden de hobby van Per helemaal niet leuk. Want wat voor Per kleine steentjes waren, waren in werkelijkheid grote rotsblokken. En die blokken lagen overal verspreid in hun akkers. De boeren moesten nu zigzaggend met hun tractoren over het land. Overal in het veld lagen rotsblokken. Voor de bewoners van het dorp was de maat vol toen Per op een nacht tijdens het slaapwandelen zijn teen stootte tegen een rotsblok. Hij pakte het stuk steen op van de grond, en al slapend zwiepte hij de steen een kant op. Zonder te kijken, want hij sliep natuurlijk nog. Met een oorverdovend lawaai, waar zelfs Per wakker van werd, verpletterde het rotsblok een boerderij. Verbaasd en slaperig kwamen de boer en de boerin met hun 7 kinderen de boerderij uitgerend. Grote stofwolken in hun haar en stukjes behang aan hun oren.  Ze keken naar alle koeien die een kant op sprongen. Iedereen kwam gelukkig ongedeerd uit de boerderij, maar de koeien gaven nog 2 weken zure melk. De kinderen niesten nog een volle week stukjes kalk uit hun neuzen.

Aan de ene kant van het water was Thor verbannen naar het uiterste puntje van het bos. Daar kreeg hij een stukje tuin helemaal voor hem alleen. Hij mocht alleen weer bij de trollen komen wonen als hij minstens 3 mensen bang had gemaakt. Maar wat hij ook probeerde, de mensen werden niet bang. Na verloop van tijd gaf hij de hoop op. In plaats van de mensen bang te maken voor het donkere bos, wees hij ze de weg naar de uitgang als ze verdwaald waren. In plaats van kinderen bang te maken voor het diepe water, leerde hij ze zwemmen. Van zijn stukje grond maakte hij een prachtige tuin. Zodat de kinderen die hadden gezwommen en de mensen die uit het bos kwamen een prachtige plek hadden om even uit te rusten. Tot op een dag.

Thor had 5 kinderen tegelijk leren zwemmen en kwam moe maar voldaan thuis. Maar toen hij de sleutel in het slot wilde doen, was er geen sleutelgat. Er was zelfs geen deur. Er was eigenlijk ook helemaal geen huis meer te zien. In plaats daarvan stond op de plek van zijn huis een enorm rotsblok. Heel even dacht Thor dat zijn trollenfamilie een streek met hem hadden uitgehaald, maar trollen zijn niet sterk. En ook niet slim. Ze hoeven namelijk alleen maar mensen bang te maken. En om mensen bang te maken hoef je niet slim te zijn. Terwijl Thor zo voor zich uit stond te kijken, met de sleutel in zijn hand, begon de grond te trillen. Eerst langzaam, maar steeds een beetje sterker. Wat krijgen we nu? Een aardbeving? Krijgen we een aardbeving? De grond ging op en neer en Thor bewoog mee. Hij had wel iets weg van een stuiterbal. Hij stuiterde rond in zijn tuin tot hij een tak van een boom te pakken kreeg. En daar bleef hij hangen. Net zo plotseling en opeens als het schudden van de grond begonnen was, zo plotseling en opeens stopte het ook weer.

Thor deed zijn ogen open. Die waren dicht gegaan omdat hij toch een beetje bang was. Naast het rotsblok stond iemand. Een heel groot iemand. Thor keek naar de voeten die op autobussen leken, hij keek omhoog naar benen als flatgebouwen. Hij keek omhoog naar een gezicht zo groot als de zon. Een reus! En de reus tilde met een vloeiende beweging het rotsblok op. Thor keek naar de restanten van zijn huis die nu tevoorschijn kwamen. Uit zijn keel ontsnapte een snik. Over zijn wangen liepen tranen. Daar stond vanmorgen nog zijn prachtige huisje. Nu was er niet veel meer over dan een stapel kapotte planken.

Per, de reusachtige reus had de snik gehoord, en de restanten van het huisje gezien. Hij draaide zijn hoofd. Van links naar rechts en weer terug naar links. Langzaam ging hij door zijn knieën. En zo kwam zijn gezicht op gelijke hoogte met dat van de snikkende Thor. ‘Was dat jouw huis?’ Vroeg Per aan Thor. Thor kon geen antwoord geven, want door de adem van Per werd hij weggeblazen. Een stukje dieper het bos in. Daar bleef hij ondersteboven hangen in een grote dikke eik. Per strekte zijn hand uit en Thor liet zich daarop vallen. Hij knikte. ‘Dat was mijn huis ja. Mijn huis waar ik zo mooi woonde en waar de mensen uit het dorp zo graag kwamen. Waar de kinderen zo graag speelden. Nu heb ik niets meer. Geen familie, want die vinden me niet eng genoeg en geen huis. Ik heb helemaal niets meer.’ Nog meer tranen stroomden over zijn wangen.

Per zat op de grond. Met Thor op zijn arm. Samen keken ze naar de uitgestrekte watermassa aan de rand van het bos. ‘Ik heb ook niets meer fluisterde Per. Ik mag niet meer in het dorp aan de andere kant van de berg wonen, want ik maak teveel rotzooi met mijn stenen. En nu heb ik zelfs al 2 huizen verpletterd. 1 aan de andere kant van het water en nu jouw huis aan deze kant. We zijn dus samen heel eenzaam en alleen.’

Thor dacht eens na. Want Thor was niet alleen een hele lieve trol, hij kon ook nog eens heel goed nadenken. ‘Wacht eens even zei hij. Als jij nu eens alle stenen van het land van de boeren haalt, zodat ze weer op hun land kunnen werken, en je gooit die stenen dan midden in het meer. Dan ontstaat er vanzelf een eiland. En op dat eiland kunnen wij dan wonen. Dan heeft niemand meer last van ons. De mensen kunnen met een boot naar ons toe komen om te zwemmen en te wandelen en dan drinken ze na afloop een beker limonade in onze tuin. En jij kunt dan met stenen gooien zoveel als je wilt. Als je er maar voor zorgt dat de stenen in het water vallen, en niet meer op het land.’

En zo geschiedde. Per ruimde alle rotsblokken op van het land van de boeren, hij gooide ze allemaal in het water. Thor bouwde van al die stenen een prachtig eiland midden in het meer. Waar alle mensen tot op de dag van vandaag samen komen om te genieten van de rust en de prachtige natuur. En van een beker limonade natuurlijk. 1 steen bleef staan aan de rand van het meer. Het rotsblok wat het huisje van Thor had verpletterd. Daar staat het ook vandaag nog. En iedereen kent de steen. Er staat namelijk een bordje bij: Pers steen. De steen van Per. En als je heel goed kijkt, zie je aan de voet van het rotsblok een kleiner bordje: Thors huis. Het huis van Thor. Maar dat huis kun je nu dus niet meer zien.
foto van internet. 



Dit was het wonderlijke verhaal over de vriendschap tussen een trol en een reus. En van het ontstaan van het eiland in het meer waar iedereen gezellig limonade drinkt.

vrijdag 14 maart 2014

Vlotvaren.

Rune gaat logeren. Dat is altijd heel gezellig. Hij mag in bad en zelf uitzoeken wat hij 's avonds wil eten en er zijn heel veel vriendjes. Thuis zijn er geen vriendjes. Alle kinderen zijn al te oud om mee te spelen. Er zijn 2 andere jongetjes van zijn leeftijd, maar die willen nooit samen spelen. Maar waar hij nu gaat logeren zijn heel veel kinderen die zijn vriendjes zijn. En vlak naast het huis staat een school met een heel gaaf schoolplein. Vol met leuke dingen en een voetbalveld en een trein en een hinkelbaan en speeltoestellen en gewoon hele leuke dingen.

Samen met een buurmeisje gaat hij naar de speeltuin bij die school. Ze voetballen op het grasveld en gaan alleen naar huis om te drinken en om brood te halen. "Brood?" "Ja, we hebben brood nodig." Maar brood krijgen ze niet. Alleen als ze rustig gaan zitten met een bordje en met een glas drinken. Maar ze krijgen geen brood mee in de hand. "Dan niet!" Roepen Rune en Roos en weg zijn ze weer. Zonder brood, maar met een paar biscuitjes die ze op het aanrecht zagen liggen.

Achter het grasveld staat een heg. En achter die heg ligt nog een strook gras, daarna een pad, en dan weer een reep gras. En die helt naar het water. Een hele brede sloot met helder water. Als je goed kijkt, zie je de vissen zwemmen. De zon schijnt op het water en het ziet er heel mooi uit. Het glinstert en het glanst. Net als het zwembadje in de tuin iedere zomer. "Kun jij zwemmen?" Vraagt Roos aan Rune. "Nee, ik kan niet zwemmen." "Jij wel? Ja. Ik kan heel erg goed zwemmen. Ik heb vorige week al mijn A gehaald, dus ik kan hier gewoon in." "Wat goed," zegt Rune, "maar ik mag niet van mamma bij het water." "Dan niet," zegt ze en ze loopt weg. Richting het water. Rune blijft heel even aarzelend staan. Hij kijkt om zich heen. Niemand te zien. Nergens een pappa of een mamma of een broer of een zus. Die zeggen namelijk ook altijd dat hij niet bij het water mag. "Het water is heel lekker," roept Roos terwijl ze met haar handjes in het water zit.

Rune doet een stap naar voren. En dan nog 1 en nog 1. En opeens zonder dat hij het door heeft staat hij naast Roos. En ook hij voelt voorzichtig aan het water. Het is nat en een beetje koud. maar er ontstaan wel prachtige lijntjes in het water. Als je voorzichtig met je vinger in het water roert, zijn het kleine lijntjes en die gaan naar de overkant. Als je heel hard slaat in het water ontstaan er grote boze lijnen die wegdrijven. Tot het water weel glad en glinsterend is. Zo zijn ze een tijdje samen aan het spelen. Tot ze een stukje verder achter een boot een plank in het water ontdekken.

"Een vlot!" Roept Rune en hij rent er naar toe. "Een vlot?" Vraagt Roos. "Ja, die hebben we ook in Zweden. Heel veel. En daar kun je op spelen en op vissen en vanaf springen het water in en ze wiebelen een beetje." "Wiebelen?" "Ja, kijk maar." Rune stapt op het vlot en kiept direct bijna het water in. "Oei, deze beweegt wel een beetje meer dan die bij ons." Hij hervind zijn evenwicht en stapt voorzichtig van zijn ene been naar zijn andere been. En het vlot beweegt gezellig mee. Rune gaat iedere keer een stukje harder bewegen. En het vlot gaat van links naar rechts, van rechts naar links en weer terug. Rune merkt niet dat het vlot inmiddels aan beide zijkanten nat begint te worden. Hij gaat zo scheef dat hij onder water komt te staan. Opeens schuift Rune zo naar een zijkant en staat in het water. Tot zijn middel. "Oei." Gelukkig kan hij met de hulp van Roos weer uit het water klimmen. Samen gaan ze op het vlot zitten. Een bibberende Rune naast een honderduit pratend meisje. "Gelukkig maar dat ik mijn A diploma al heb toch? Nu heb ik jou gered. En als we hier maar gewoon blijven zitten word je vanzelf droog en merkt je mamma er helemaal niets van."

Rune denkt dat mamma het vast wel gaat merken, want zijn schoenen zijn helemaal zwaar van al het water, grote viezige groene grasvlekken zitten aan zijn broek, en stukjes kroos zitten niet alleen aan zijn sokken geplakt, maar hij voelt het ook in zijn broekrand. "Mamma gaat het denk ik wel merken en dan mag ik waarschijnlijk niet meer hier spelen." "Ach joh, dan zeg je gewoon dat je niet in het water gevallen bent, maar dat het opeens heel hard ging regenen." "Maar het heeft toch helemaal niet geregend?" "Nee! Maar dat weet jouw moeder dan toch niet?" "Dat is toch liegen? Dat mag ik ook niet van mamma." "Jouw mamma is dan stom. Want jij mag helemaal niets."

Dan schrikt Rune. Want in de verte hoort hij de stem van mamma. Mamma is hem aan het zoeken. En ze kan hem natuurlijk nergens vinden. Voorzichtig kijkt hij over de rand van het bootje en ziet mamma rondlopen op het schoolplein en op het grasveld. Ze roept hem, maar als hij omhoog wil komen, trekt Roos  hem weer terug. "Ben jij gek geworden? Dan ziet ze toch meteen dat je in het water hebt gestaan? Je bent helemaal nat en groen!" "Ja, maar ze zoekt me en dan wordt ze ongerust." "Wat zou het" zegt Roos. Rune krijgt een beetje buikpijn en hij vind het helemaal niet leuk meer om met Roos te spelen. Hij gaat staan, maar mamma is al weg. "Zie je nu wel? Het maakt mamma's helemaal niets uit wat je doet. Ze zitten toch alleen maar op feesboek en ze kijken toch alleen maar televisie." Rune gaat weer op het vlot zitten. De tranen staan in zijn ogen. Heel verdrietig is hij en mamma kijkt zelfs niet eens televisie! maar feestboek doet ze wel.

Na een paar minuten hoort Rune weer mamma zijn naam roepen. Ze rent nu. Dat kan hij horen aan de harde voetstappen. Roos gaat staan en roept: "Er komt iemand aan!" Opeens staat mamma aan de andere kant van de boot en ze is heel boos. "Nee toch! En sinds wanneer kunnen wij zwemmen? En sinds wanneer mogen wij bij het water spelen? En sinds wanneer geven wij geen antwoord als ik je roep? Nu naar huis! Alle twee. Jij ook Roos! Want jouw vader zoekt je ook!" Roos wilde nog zeggen van haar A diploma en van het redden van Rune, maar als ze aan haar pappa denkt, en naar deze boze mamma kijkt, besluit ze toch maar niets te zeggen. Als mensen nu op dit moment naar buiten hadden gekeken, hadden ze een druipend groen jongetje gezien die wel een beetje op een kikker leek, gevolgd door een boze mamma. En achteraan een klein meisje die ernstig beledigd was.

Thuis hebben de schoenen van Rune nog 4 dagen in de zon buiten gehangen voor ze eindelijk weer droog waren. En met zwemles deed hij extra goed zijn best. Want als hij nu zijn A heeft, mag hij vast wel op het vlot!

zaterdag 11 januari 2014

De toverspiegel.

Oma is dood. Zomaar helemaal opeens nam oma ’s avonds de telefoon niet op toen mamma belde. Dat deed mamma iedere avond. Omdat oma helemaal alleen was. En omdat je dan zomaar de hele dag en de hele nacht met een gebroken heup naast je bed kunt liggen. Dus toen mamma geen gehoor kreeg bij oma, fietste ze even naar haar toe. Pelle mocht niet mee. Want je weet per slot van rekening maar nooit. En oma zat hartstikke dood te zijn op de bank. Onder een plaid. Met lauwe koffie op de tafel. Oma was nog niet zo lang dood zei de dokter. Oma was nog warm. Ja stunt! Ze zat toch onder een deken? Hoe stom zijn volwassenen toch altijd!

En nu is oma gecremeerd. In de oven. Ook al zo stom. Wie wil er nu in een oven? En allemaal wildvreemde mensen komen Pelle een hand geven. En zeggen dat ze het zo erg vinden voor Pelle. Ja, ja. Maar wel een kadetje met kaas in je ene hand hebben en een kop koffie in de andere. Pelle heeft deze mensen nog nooit bij oma gezien, maar nu komen ze wel haar kadetjes opeten. Ach, misschien wel beter ook, want er staan heel veel schalen met kadetjes op de tafels. En anders eten Pelle en zijn zusje straks de hele week kadetjes waar al die mensen met hun handen aan hebben gezeten. Bah!

Een paar dagen later komt Pelle uit school en in de gang staat oma’s spiegel. Die hing bij oma in de hal. Dat was altijd heel grappig, want als je gewoon in de gang stond, kon je net je hoofd niet zien en als je dan op de trap ging staan, zag je wel je benen, maar nog steeds niet je hoofd. Behalve als je dan een beetje ondersteboven ging hangen. Kon je gekke gezichten trekken. En dan moest je zo hard lachen dat je als vanzelf van de onderste treden viel. En dan was oma weer bezorgd dat je ergens pijn had en dan mocht je op de bank met een koekje en een pakje chocomelk. Onder een plaid. Oma.

‘Oma had op de spiegel een briefje hangen Pelle, dat de spiegel voor jou was als er iets met haar zou gebeuren. Omdat je hem altijd zo leuk vond’ Pelle vond de spiegel helemaal niet zo leuk, maar het spelletje van het verdwenen hoofd was wel grappig. Een soort magie was het. Pelle knikt. ‘Zal ik de spiegel in je kamer hangen?’ Pelle knikt weer en gaat verdrietig op de bank zitten.  Zonder chocomelk, zonder koekje en zonder plaid. Thuis is toch anders dan bij oma.

Als Pelle ’s avonds naar bed gaat, hangt daar de spiegel. Tegenover zijn bed. De spiegel kijkt naar Pelle. Pelle kijkt terug. Pelle ziet een boom en felblauwe lucht met witte wolken. Pelle draait zich om en schuift de gordijnen open. Donker. Aardedonker en op de plaats van de boom staat het huis van de buren. Pelle schuift de gordijnen weer dicht en kijkt nog eens in de spiegel. Hij ziet een plein met bomen aan de zijkant. Achter de bomen staan vreemde huizen. Rijen dezelfde huizen. Op dat plein spelen kinderen. De jongens hebben gekke broeken aan. Rare korte broeken tot boven de knieën met een omgeslagen rand. En een soort bretels aan die broek. Maar dan hangen ze niet half op straat, nee ze zitten vast op de borst met een knoopje. De jongens hebben allemaal zwarte schoenen aan met korte witte sokken. Wat een vreemde kleding zeg. Helemaal niet hip! De meisjes hebben jurkjes aan tot precies op hun knie, met allemaal een fraaie strik in het haar.


Pelle kijkt snel over zijn schouder. Hij ziet zijn muur en de dichte gordijnen.  Hij kijkt voorzichtig om zich heen. Zijn  kamer ziet er precies zo uit als anders. Maar die spiegel. Daar is iets mee! Pelle kijkt nog 1 keer. En weer ziet hij de kinderen. Een groepje is aan het knikkeren, een paar meisjes draaien een springtouw in de rondte en andere meisjes springen rond het touw, hun strikken dansen op het hoofd. In de hoek staan 2 meisjes samen te praten. Pelle blijft naar die 2 meisjes kijken. 1 meisje kijkt naar hem en giechelt wat. Haar vriendinnetje draait zich langzaam om. Als haar blik de blik van Pelle kruist, versteend hij. Die blik kent hij als geen ander! Oma! Daar staat oma! 


donderdag 9 januari 2014

Geen zee te hoog, geen storm te sterk voor een ruwe zeebonk.

De kinderen komen uit school en gaan uitwaaien in de tuin. Tussen de buien door. Het is midden in de winter, maar het lijkt wel herfst. Bah! Zegt mamma. Gaaf! vinden de kinderen. Ze slepen de stoelen uit de berging naar het terras. Naast elkaar worden ze neergezet als in de bioscoop. Naast elkaar zitten ze. Te kijken naar niets denkt mamma, maar de kinderen kijken  naar de striemende regen, naar de laatste bladeren die de strijd opgeven. Dwarrelen naar beneden om in de border voor een vieze drab te zorgen. Kijken naar vogel die de pindakaas pot plundert.

Na een tijdje gaan ze een piratenschip bouwen. Van de schommel en de glijbaan. De schommel en de rekstok worden op de hoogste stand gezet. Met ware doodsverachting wordt er geklommen. Uit de stuurhut naar schommel, van schommel naar rekstok. En daaronder ligt een kolkende zee. Een woeste kolkende zee. Een woeste kolkende zee met haaien. Met hongerige haaien. Plons doet Sophie. Hap doet de haai. Plons doet vriendinnetje van Sophie. Hap doet de haai weer. Hongerige haai is opeens een stuk minder hongerig. Vriendinnetje en Sophie gaan binnen schuilen. Opwarmen bij de kachel en vanachter het raam kijken we met warme chocomelk naar jongste telg.

Jongste staat achter stuurwiel en stuurt zijn boot door de hoge woeste golven. Regen slaat tegen de ramen van de kajuit. Gehinderd door de invallende duisternis probeert jongste zijn bestemming te bereiken. De kust. De veilige kust. Hij vaart richting vuurtoren. Af en toe ziet hij een licht door de wolken breken. Ondertussen is de winterstorm op zijn hevigst. De kajuit vult zich met een krakend geluid. Een krakend geluid dat steeds harder wordt. Ongerust tuurt onze jonge zeeheld naar buiten en dan opeens breekt met een klap de mast af. Lappen zeil hangen als spookachtige verschijningen over de reling. Half in het water. Hap doet de haai.

Jongste moet proberen om de mast te redden. Proberen om zeilen op het dek te trekken. Hij klimt uit zijn kajuit. In 1 klap is hij doorweekt, maar een echte zeebonk geeft niet op. Hij klimt op het dak van de stuurhut en probeert een touw van de schommel te pakken. Dat gaat goed. Hij klimt er op en vanaf daar moet hij richting rekstok om bij de afgeknapte mast te komen. En daar gaat het mis. Nog 1 windvlaag geselt onze jonge held en hij verliest zijn evenwicht.


Mamma! Roept hij. Mamma! Help! Mamma die al die tijd heeft staan kijken van achter het raam,  schrikt wakker uit haar overpeinzingen. Rent naar buiten, door de regen en zet onze zeebonk weer met beide benen op de grond. Supermamma! Want een ruwe zeebonk heeft natuurlijk wel een supermamma! En gelukkig voor mamma had de haai inmiddels buikpijn na het eten van twee kleine meisjes en een heel groot zeil.


woensdag 25 december 2013

Het eenzame kaartje en haar kerstmis reis.

Met heel veel plezier en haar tong uit haar mond was een klein meisje een kaart aan het versieren. Een kaart voor Kerstmis. Voor haar opa en oma. Glitters en lijm en plakkers en tekeningen versierden de gehele kaart. Na een tijdje, toen er geen enkel onbedekt plekje meer te zien was, kwam mamma met de enveloppe. Met het adres van opa en oma. Een saaie witte enveloppe. Het meisje wilde die ook nog wel kleuren, maar dat mocht niet van mamma. Dan zou de kaart niet aankomen. En zowel de kaart als het meisje wilden natuurlijk niets liever dan dat de kaart straks bij opa en oma op de vensterbank zou staan. Het meisje mocht de enveloppe wel dichtplakken met een kerstboom sticker.

Huppelend liepen het kleine meisje, haar broertje in de kinderwagen en mamma naar de brievenbus. De grote, rode imposante brievenbus op de hoek van de straat. Met 2 ogen met inktzwarte wenkbrauwen. Mamma tilde het kleine meisje op en zo kon ze haar kaart door de wenkbrauwen duwen. Plof deed de kaart toen hij in de bijna lege bak viel. Het meisje liep weer naar huis. Toen ze bijna de bocht omgingen, draaide ze zich nog 1 keer om en zwaaide een laatste maal naar haar kaart.

In de bus was het donker. Donker en zwart. Hier en daar lagen al wat kaarten en die hadden het heel gezellig. De kerst sfeer was al aanwezig in de brievenbus bak. Er lagen ook statige witte, dichte enveloppen. Die waren vast belangrijk, want die lagen een beetje bij elkaar. In de hoek die het meest verlicht werd door de zonnestralen die door de wenkbrauwen straalden. Het kaartje voelde dat ze steeds een beetje meer bewegingsruimte kreeg. De kerstboom op haar rug raakte los. Gedurende de dag werd de bus voller en voller en lag het kaartje een beetje verdrukt onderaan. Op haar rug zat een ander kaartje geplakt. Die was blijven hangen aan de loslatende kerstboom.

Met een klap was daar opeens heel veel licht. Er werd eens flink geschud en alle kaartjes vielen tuimelend over elkaar heen een grote zak in. Ze werden met zak en al in een auto gegooid en om de zoveel tijd stopte de auto en werd er even later nog een zak met post in de auto gegooid. De lange rit eindigde in een hele grote hal. Een hal met heel veel machines. Grote enge grijze machines met tanden en heel veel poststukken. Kaarten en kaartjes, enveloppen groot en klein en doosjes. Het kleine kaartje werd gescheiden van de meereizende kaart en de kerstboom zat nu helemaal los op haar rug. Alleen aan de onderkant bleef de boom nog een klein beetje plakken. Het kaartje keek verwonderd om zich heen. Wat een wonderlijke reis!

En toen was het tijd om ook de machine in  te gaan. En daar gebeurde het: de kerstboom bleef plakken aan een ijzeren rand en het kaartje voelde hoe ze langzaam uit de enveloppe werd getrokken. De machine trok aan de ene kant, de enveloppe aan de andere kant. En de machine won. Het kaartje draaide nog een stukje mee met de overige post, maar viel ergens aan het einde toch tussen de post uit. Helemaal alleen lag ze op de grond. Ze keek naar voeten en heel even in een flits zag ze boven haar hoofd, de kerstboom langs flitsen. Wacht op mij! Riep ze, maar niemand hoorde haar, en de enveloppe ging helemaal alleen, helemaal leeg tussen de post op eg naar het volgende deel van de reis. In een rode bak werd hij vervoerd naar een mevrouw die op een stoel zat en post in hokjes deed.

Het kaartje werd gevonden door een vriendelijke meneer, die haar echter niet verstond. De meneer bekeek het kaartje van alle kanten en plakte haar met een glimlach op zijn gezicht op een muur. Tussen nog wel honderd andere kaarten. Allemaal alleen. Helemaal alleen, maar toch met zijn allen. Gescheiden van adres en dus eindigend hier op een kale muur in een groot lawaaiig gebouw.

Ondertussen kreeg de mevrouw op de stoel een lege enveloppe in haar handen. Ze bekeek hem eens goed, keek naar het adressering. Voor opa en oma. Met een halfplakkende kerstboomsticker op de achterkant en schudde verdrietig het hoofd. Weer een opa en oma die verwachtingsvol naar de postbode uitkijken. Dag in, dag uit. Wachtend op dat ene kaartje. Op die ene kerstkaart waar ze het hele jaar naar uitkijken. Het kaartje dat nooit zal komen, omdat ze aan een muur hangt. De plek op de vensterbank zal voor altijd leeg blijven. Het meisje dat op visite komt met kerst zal verdrietig naast de vensterbank op de grond gaan zitten. Haar kaartje zal een wonderbaarlijke reis beleven. In haar hoofd schrijft ze de verhalen. Over een kerstkaart die over de wereldzeeën vaart, die hoog boven de wolken naar de andere kant van de wereld vliegt. Haar kaartje, die ooit vast terug zal komen bij opa en oma. Volgestempeld met exotische stempels. Gelukkig weet het kleine meisje niet wat wij wel weten. Haar kaartje zal nooit verder komen dan die muur in de fabriek.


Moraal van dit verhaal: plak uw post gewoon dicht met de plakstrip en laat versieringen achterwege.


vrijdag 29 november 2013

De moord onder de Bonen.

Vroeger, toen alles beter was, de bloemen groter, het gras groener, de kinderen liever en de ouders geduldiger, was er niets aan de hand in huize Boon. Er kwamen Bonen bij en er gingen Bonen weg. Dagelijkse kost. Iedere Boon leefde harmonieus samen met de andere Boon. Van de een op de andere dag werd er af en toe een wanklank gehoord. Een dwarsliggende Boon. Een Boon die voor drong en zijn ellebogen gebruikte of een Boon die zijn snor juist drukte. Die met andere woorden de andere Bonen zijn boontjes liet doppen.

De sfeer werd grimmiger en grimmiger. Krakend en stomend werd er doorgewerkt, maar het ging allemaal niet meer als vroeger. De sfeer was ver te zoeken en het stoom kwam regelmatig bij een ieder uit de oren. De familie Boon was tot op het bot verdeeld. Er kwam een mediator aan te pas om te kijken of de situatie nog gerepareerd kon worden, en gedurende een paar maanden leek de lijmpoging geslaagd.

Tot vandaag. Vandaag was alles anders. Vandaag was er een moord gepleegd. De hele familie Boon was in opstand gekomen tegen het Zwarte schaap van de familie Boon. Ze hadden hem eigenhandig een kopje kleiner gemaakt. Vermoord dus. Het bloed sijpelde langzaam aan de onderkant van de voordeur naar buiten. Zodat het voor iedereen in de boze buitenwereld direct duidelijk was: er is hier een moord gepleegd. Kan niet missen. De 'ik lijk soms wel een politieagent' mamma ging in de weer met doeken en reinigingsmiddelen. Maar het was te laat. Niets meer aan te doen. Vermoord is vermoord. De laatste adem was uitgeblazen.

Goed, vanaf morgen drinken we dus weer gewone, normale filterkoffie. Rust in vrede dierbare vriend. We hebben samen hele mooie avonturen beleefd. We zijn op de been gebleven door onze innige band en moeten nu een nieuwe weg inslaan. Verder zonder jou. Maar vergeten doen we je nooit. Als we ergens de geur opsnuiven van vers gemalen koffiebonen, denken we weer even terug aan de tijd die ooit was. Niet meer is.

zaterdag 16 november 2013

Leerproces.

Mark gaat naar de grote school. Eerste dag. 6 weken vrij gehad en nu naar de grote stad. Wereld van verschil. Mark komt uit het dorp. Hij is er 1 van Sieme. Simon. Zijn vader heet Simon. Simon de melkboer. In zijn oude klas kwam iedereen uit het dorp. Waren alle vaders boer. Of agrariër zoals ze hier in de stad zeggen. De kinderen uit zijn oude klas zijn bijna allemaal naar scholen in de buurt gegaan, maar Mark kan heel goed leren en zodoende loopt hij nu rond op een scholengemeenschap voor Havo/Vwo en Gymnasium in de stad.

De eerste uren gingen goed. De leerkrachten zijn allemaal nog aardig, dat zal wel veranderen, en de klasgenoten zijn ook wel oké. Net als hij zenuwachtig, hoewel ze dat niet zo laten blijken. De meeste kennen elkaar al. Van de basisschool, van de voetbal, van de hockey of van zwemmen. Mark kent nog niemand.

Tijdens de eerste pauze komt hij er achter dat hij zijn brood is vergeten. Nee hè, brood ligt nog op de keukentafel. En ik heb ook geen geld mee om iets in de kantine te kopen. Dat wordt dus een dagje hongerlijden. Lekker begin. Vroeger ging je gewoon tussen de middag naar huis om warm te eten. Nu is het brood overdag en warmt mamma de aardappelen met vlees ’s avonds op als zij, pappa en zijn broertjes brood eten. De wereld verandert opeens als je naar het middelbare gaat.

Om 12 uur ontstaat er enige verwarring in de klas. Kinderen schieten in de lach, wijzen naar buiten en beginnen koeien en varkens na te doen. Mark begrijpt er niets van. Hij staat net als de anderen op en loopt naar het raam. Daar staat op het parkeerterrein voor de school een tractor. Een blauwe tractor. Tussen de gepoetste bolides van de leerkrachten. En uit de tractor is een boer gestapt. Met laarzen. Grijze laarzen. Pet op het hoofd. Zijn vader! Zijn vader loopt richting de ingang met de modder nog aan zijn laarzen. Met strootjes aan zijn overall. In zijn handen een lunchpakket. Mark doet een stap naar achter. Weg van het raam, maar precies op dat moment kijkt zijn vader naar boven. Langzaam gaat zijn hand omhoog. Een soort onhandige groet. Een groet met boterhammen kaas. Mark heeft het idee dat hij in een vacuüm zit. Alsof alle kinderen weg deinzen en  niets met hem te maken willen hebben. Hij groet niet terug. Knikt kort en gaat weer zitten.

Van welke sukkel is die vader? Komt hier gewoon met een trekker op school. Ja, en met vieze laarzen. De hele hal stinkt naar de stront. De oudere leerlingen hebben de grootste lol en staan bijeen bij de conciërge. De conciërge die zijn brood in beheer heeft. Mark durft niet naar haar toe te gaan. Mark schaamt zich. Hij schaamt zich voor zijn vader. Aan het einde van de pauze gaan de meeste jongens weer terug naar hun eigen groepjes. 1 meisje loopt naar de conciërge. Haalt zijn brood op. Zijn brood! Mark voelt zijn maag tekeergaan. Hij heeft honger.

Dit is van jou volgens mij. Hij kijkt omhoog en ziet het meisje staan. Met zijn lunch in haar handen. Ik kom ook uit een dorp en dit is mij ook een keer overkomen. Gebeurt je 1 keer. Daarna vergeet jij je brood nooit meer en je vader weet nu dat het niet handig is om langs te komen. Trek je maar niets van de rest aan. Stiekem zijn ze namelijk heel jaloers. Zo’n grote tractor besturen is namelijk ontzettend stoer!


Het meisje had gelijk. Hij vergat nooit meer zijn brood en zijn vader kwam nooit meer langs. Dit schoot allemaal door het hoofd van Mark toen hij op de keukentafel een trommel zag liggen met brood. Het brood van zijn oudste die vandaag voor het eerst naar het Voortgezet onderwijs ging.

maandag 11 november 2013

Kleine Rune wordt piraat.

Dit verhaal staat onder het label schrijven. Dat is omdat dit voor de verandering eens een keer niet in mijn gezin heeft plaatsgevonden, maar ik werd geïnspireerd door een gesprek met een klein jongetje. Bijna 4 en hij had een piratenbed en piratenspierballen. Dat ik maar een gewoon saai wit bed had, was maar zielig voor mij. Had ik dan wel een piratendekbed? Nee, zelfs dat heb ik niet. Als groot mens ben je dus maar wat saai. Gelukkig kan ik me heel goed inleven in de wonderlijke denkwereld van kinderen.


Rune loopt verveeld achter mamma aan in een hele grote winkel. Een winkel met allemaal bedden. Saaie bedden met stomme dekbedden er op. Bloemen en Tijgers en nog stommere strepen. Mamma vind dat Rune een groter bed nodig heeft. Geen spijltjes bed meer, maar Rune heeft geen bed, Rune heeft een boot. En in zijn boot beleeft hij avonturen. Vaart hij naar de andere kant van de zee om kastelen te veroveren en al het snoep te roven! Mamma zegt dat het een baby bedje is en dat hij nu een grote jongens bed krijgt. Mamma begrijpt niets van de boot, en over het geroofde snoep zegt ze dat het slecht is  voor je tanden.

Mamma loopt en kijkt en voelt aan bijna alle dekbedden. Behalve die tijgers. Mamma wil geen tijgers op haar bed. Mamma is romantisch zegt ze. Nou mooi niet! Zegt pappa zelf. “Kan ik ergens mee helpen?” Vraagt een meneer met rode vlekken in zijn gezicht. “We zijn op zoek naar een grote jongens  bed voor Rune” Zegt mamma tegen de meneer. Wat raar! Mamma kent hem toch helemaal niet? En ze gaat gewoon zomaar met hem praten. Praat nooit met vreemde mensen zegt ze toch zeker zelf altijd! ‘Nou, dan bent u hier aan het juiste adres. Wij verkopen inderdaad bedden.’ Stomme meneer. Anders zouden we hier toch ook niet zijn!

‘Wat voor bed wil je jongeman?’ ‘Een piratenboot’, zegt Rune. ‘Nou, loop maar mee, vorige week is hier een piratenkoning geweest en die heeft een bed achtergelaten.’ ‘In het echt?’ ‘Echt waar. Kom maar, dan laat ik hem zien.’ Rune loopt huppelend achter de verkoper aan. Een piratenbed. Ik krijg een piratenbed. ‘Hier staan de kinderbedden, we hebben mooie roze bedden, stoere jongens bedden en dit piratenbed.’ ‘Een piratenboot! Een echte piratenboot!!’ Rune stuitert rond het bed. Een botenbed met uitkijkpost, met ronde patrijspoorten en een kajuit! ‘Deze mamma, ik wil deze hebben.’ Mamma staat te glimlachen en kijkt op het kaartje wat aan het bed bevestigd is. Mamma wordt rood, net als die mijnheer en vraagt of er ook gewone witte strakke jongensbedden zijn. Die zijn er, en mamma en verkoper lopen naar een ander bed. Rune merkt het niet meer. Hij zit bovenop het bed. Kijkt door een verrekijker naar andere piraten, speurt naar kastelen vol snoep en is helemaal blij als mamma even later zegt dat zijn nieuwe bed al in de auto staat en ze naar huis gaan.

Thuis huppelt en springt Rune om pappa heen. Pappa zet zijn nieuwe bed in elkaar. Het baby bootje staat al op de gang. Na een tijdje bemerkt Rune opeens dat het bed gewoon op de grond staat, dat er helemaal geen uitkijkpost meer is, en dat er ook geen patrijspoorten in zitten. ‘Dit is helemaal geen piratenbed’ jammert Rune, ‘nee’ zegt pappa, ‘dit is een grote jongens bed.’ Rune kijkt om de deur naar zijn ledikant. En kijkt naar nieuw glimmend wit bed. Niets aan! Dit bed is stom!


De rest van de middag is er visite en pappa en mamma zijn beneden. Rune is boven. Aan het spelen. Met zijn timmertafel denken pappa en mamma te horen aan het geluid. Maar Rune is een slim mannetje. Rune is niet voor niets piraat. Na een uur komt Rune beneden. In zijn piratenpak. ‘Wat horen we Rune? Heb jij een nieuw bed gekregen?’ Vraagt tante. ‘Ja, ik heb een piratenschip! Kom maar kijken.’ In optocht gaan ze naar boven. Rune de onverschrikkelijke piraat voorop. ‘Enter mijn piratenschip!’Roept Rune als hij de deur openzwaait. Mamma geeft een gil en kijkt met verschrikte ogen naar pappa en naar bed. Oom begint te hikken, tante kijkt verwonderd in de rondte. Pappa schiet in de lach. Daar, in de hoek van de kamer staat nu een echt schip. Een nieuw jongensbed met erboven een ledikant als kajuit; met 2 bezems aan de zijkanten getimmerd als vlaggenmast. Zwarte handdoeken doen dienst als afschrikwekkende vlag. Met stift zijn er patrijspoorten geschilderd aan de zijkanten.  Trots stapt Rune zijn schip in. Piraat Rune komt er wel. En mamma, mamma moet nog van de schrik bekomen. Met een kop koffie van pappa en een snoepje van Rune. Uit zijn geroofde piartenschat.


vrijdag 25 oktober 2013

Belletje trek.

Vandaag zag ik ze. Echte ouderwetse kinderen. Op stepjes. En ze schoten luidruchtig op hun vervoermiddel het pad van de buren op. Tussen de twee geparkeerde auto’s door.  Glimmende gepoetste auto’s. Onze auto stond op het pad ernaast. Vies en vol met modder. Net terug uit Zweden. Vandaar. Hoewel, onze auto is eigenlijk altijd vies en bemodderd. Geen eer te behalen bij ons hadden ze al ingeschat. Nette gepoetste glimmende auto eigenaren moesten ze hebben. Het dapperste jongetje belde aan, stepjes werden gekeerd en ze zoefden naar hun partner in crime. Een lief meisje met vlechtjes in het haar. Het kan verkeren. Niets zeggen mevrouw! Brulde 1 van de jongetjes over straat alvorens achter een geparkeerde auto weg te duiken. Ik niet. Ik zeg niets.

Moest opeens even terug denken aan mijn eigen jeugd. Niet dat ik nou nog zoveel weet, maar er schoot me opeens een beeld te binnen. Ik speelde bij vriendjes, in het dorp. Zelf woonde ik op een industrieterrein en was dus altijd buiten, kikkers vangen, slootje springen, hutten bouwen langs de treinbaan, niet wetende hoe gevaarlijk dat was, tot er op een kwade dag een trein stopte en we als onschuldige kinderen gearresteerd werden, groter groeien en verstandig worden doe je niet zomaar. Gevaren inzien duurt ook een mensenleven lang. Maar goed, ik was dus in het dorp, en we gingen belletje trek doen. Geen idee wat dat was had ik, maar het werd me snel duidelijk, je belde aan en in plaats van te wachten tot iemand de deur open deed, maakte je dat je weg kwam. Maar wel zo dat je vanuit je verstop plaats de verbaasde huis eigenaar kon zien. Mijn vriendjes deden het voor. En ik mocht het vijfde huis doen. Vriendjes lagen al in dekking nog voor ik het tuinpad op liep. Mijn vinger strekte zich naar de bel en nog voor ik ook maar iets kon doen, zwaaide de voordeur open en werd ik in mijn nekvel gegrepen, over straat gesleurd naar de school aan de overkant, mijn basisschool, en afgeleverd aan de eerste de beste leerkracht die we tegenkwamen. Ik heb er weer ientje! Krijste de krasse dame. De dame die stonk naar sigaretten en een bevende hand had met rare bruine vlekken. Oei, oei, zei de leerkracht. Dan zullen we de ouders maar even bellen. Ik stond daar met knikkende knieën en keek naar de punten van mijn schoenen.

De leerkracht belde helemaal mijn ouders niet, ik kreeg een glas limonade en een koekje uit de lerarenkamer koek trommel. We wachten even een paar minuten en dan kun je weer verder spelen. Bij wie ben je? Ik zou alleen niet meer bij de overbuurvrouw belletje trek doen. Kan ze niet zo goed tegen.

Later leerde ik dat de oude dame eigenlijk gewoon heel eenzaam was. Deed de hele dag niets anders dan sigaretjes roken voor het raam. In de hoop dat er iemand langs zou komen om samen een kopje koffie te drinken. Zag kwajongens dus al van verre aankomen en stond dan al klaar bij de voordeur. Ik snap wel waarom ze zo eenzaam was. Je zult maar op de koffie komen en een bruin gevlekte bibberende rokershand in je nek voelen. En dan over straat gesleurd worden naar de basisschool. Krijg je een glas limonade en geen koffie.


De buurman van vandaag was klaarblijkelijk ergens op 1 van de bovenverdiepingen, want het duurde even. Kinderen kwamen al weer tevoorschijn toen hij de deur opendeed en mij zag staan met oudste zoon. Buurman was aan het bellen. En keek mij vragend aan. “Je bent het slachtoffer van belletje trek” fluisterde ik hem toe. Hij keek me nog eens aan en fronste zijn wenkbrauwen alvorens weer naar binnen te verdwijnen. Ik stapte gierend van de lach naar binnen. De buurman dacht dat oudste zoon en ik belletje hadden getrokken. En even , even voelde ik me weer dat kleine meisje van vroeger. Binnen aten we een koekje. Zoon en  ik. En dronken we een glas limonade. Hartstikke spannend. Belletje trek. Misschien ga ik morgen wel kikkers vangen en slootje springen.

vrijdag 27 september 2013

Mamma is een kip.

Julia en Rune willen buiten spelen, maar het regent. En met regen worden ze nat. Maar als het regent komen er wel mooie plassen. Plassen om in te springen. Plassen die dan plats-plats-plats doen. En als je dan heel lang buiten blijft, krijg je straaltjes uit je haar. Van de regen. Dat is wel gaaf! Maar straks moeten ze naar een verjaardag en dus hebben ze mooie kleren aan. Mamma staat in de douche en heeft Rune en Julia voor de televisie gezet. “Even geen ruzie maken en niets knoeien op jullie kleren!”

“Zullen we?” Vraagt Rune aan zijn zus. “Ja, dat wil ik wel, maar mamma heeft gezegd dat we niet vies mogen worden” “Nee, we mochten niet knoeien. Dus we mogen best naar buiten om een beetje nat te worden” “Oké dan. Maar ik trek wel mijn laarzen aan. Voor de zekerheid”

Ze lopen samen naar buiten. Mamma staat nog steeds in de douche. En eigenlijk staan zij nu ook in de douche. Buiten. Net als van de zomer op de camping. “Buiten douchen is gaaf!!!” Rune stampt voorzichtig in een plas. Plats! Doet de plas en de druppels schieten alle kanten op. “Kijk uit! Ik word vies” roept Julia, maar Rune hoort het niet. Plats doet ook de volgende plas. “Leuk is dit! Kom je ook?” Julia kijkt naar haar nieuwe maillot. Zonder gaten en zonder vlekken. Ze kijkt naar haar mooie rokje. Haar rokje die heel mooi zwiert als ze een rondje draait. Zwier! Doet het rokje als ze op haar laarzen een rondje probeert te draaien, maar haar laarzen hebben geen gladde zolen zoals haar mooie schoentjes. Plats! Doet Julia dus ook vol in de plas. Ze voelt het water op haar billen, snel stat ze op. Haar mooie nieuwe maillot is nu vies en modderig.

“O nee! Wat doe jij nu!” Roept Rune! “Je bent helemaal vies! Zo kun je niet mee en nu gaat mamma boos worden. Kom, ik veeg je wel schoon!” Rune plukt een pol gras en gaat haar maillot schoonvegen, maar het helpt niets. Er komen nu ook groene vlekken op haar benen en op haar rok. Rune zucht en veegt zijn handen aan zijn broek af. “Nee!” Roept Julia, maar het is al te laat. De spijkerbroek van Rune heeft ook vieze groene vlekken.

“Wat nu?” “Ik weet het” zegt Julia. “We trekken onze kleren uit en gooien het in het sop” Snel rennen ze naar binnen en schoppen hun laarzen uit bij de achterdeur. De linker laars van Rune vliegt een stukje door de lucht en land tegen de witte muur. Vieze zwarte vlek blijft achter. “O-o, dit is een ongeluksdag! Geef mij jouw kleren en dan maak jij die vlek schoon” beveelt Julia. “Ja, maar waar ga ik dit dan mee schoonmaken?” “Geen idee. Als je maar geen gras gebruikt. Pak de toiletborstel maar!” Julia rent met handen vol vieze kleren naar de keuken. Ze is net bezig met een sopje als ze mamma boven op de gang hoort lopen. “Opschieten Rune, mamma komt zo naar beneden!” Het sopje schiet niet echt op, en dan ziet Julia de vaatwasser. Veel makkelijker! Ik gooi de kleren in de vaatwasser en dan ga ik Rune helpen. Dan doet die wasmachine de kleren schoon maken en ze komen er droog weer uit.

Ze propt een blokje in de machine, kleren gaan erbij en de deur gaat dicht. Naar Rune! Haar broertje staat in zijn blote billen de muur schoon te maken met de toiletborstel. Blauw water vermengt zich met witsel van de muur. Lichtblauwe sliertjes water lopen naar beneden. Kleine stukjes toiletpapier hangen als veertjes aan de muur. “Het lijkt wel een paard!” Giechelt Julia, maar dan gaat de deur open en stapt een schoongewassen mamma de kamer in.

Mamma kijkt naar de ravage op de muur. En mamma kijkt naar de twee blote kinderen. “Wat zijn jullie in hemelsnaam aan het doen?” “We maken een paard op de muur” zegt Rune. “Een blauw paard met zwarte vlekken” “En waar zijn jullie kleren?” “In de vaatwasser” antwoord Julia. “Want we waren buiten en toen vielen we in het water en toen kwam er gras op en toen trokken we onze laarzen uit, maar de muur werd zwart en het sop ging niet snel en de vaatwasser maakt alles schoon en droog en dus kunnen we straks gewoon mee naar de verjaardag, maar we hebben wel een blauw paard op de muur”

Mamma zucht heel diep en zucht nog eens een keer nog veel dieper en zegt dan weer zo’n typische mamma opmerking: “jullie denken nooit na. Net als een kip zonder kop” Julia en Rune kijken elkaar aan en beginnen te lachen. Steeds harder. Een kip zonder kop! Dat kan toch helemaal niet! Tok tok doet Rune, Tok-tok-tok doet Julia en ze rollen in hun blote kont over de grond. Tok-tok-tok doet mamma nu ook en mamma hupt op haar hurken door de kamer. Tok-tok-tok! “Mamma is een kip! Mamma is een kip! Ja!!! Mamma is een kip zonder kop!”


Een half uur later; draait de wasmachine met de vieze kleren, en zitten Julia en Rune met nieuwe nette kleren in de auto. Alles is weer opgelost. Behalve dan dat blauwe paard op de muur. Daar moet mamma opnieuw voor witten, maar voorlopig mag het paard op de muur blijven staan. En Julia en Rune zitten trots achterin de auto. Hun mamma is een kip!

Ik heb natuurlijk geen foto's van een kip zonder kop.

donderdag 19 september 2013

Cupido incognito.

Vlinders vliegen overal.
In de tuinen; in de bergen; in de berm van de weg.
Felle kleuren, fladderend op weg naar jou.
Twinkelogen, strakke blik, even weg,
In mijmering. Stil gedachten, even wachten,
Liefde komt echt overal.
Overal en nergens.
Vlinders vliegen vogelvlug
Van jouw ogen naar mijn buik

En dan weer terug.




maandag 2 september 2013

De vogel van Lynda.

Soms heb je vogels die vliegen. Van boom naar heg, naar vetbol, naar konijnenvoerbak en weer terug naar de heg waar ze ergens verstopt een nestje hebben. Soms heb je mensen die hun ramen lappen. Zo goed, dat een vogel het verschil niet meer ziet tussen vrije aanvliegroute en woonkamerraam. Pats hoor je dan af en toe. Ga je kijken en dan ligt daar zo’n zielig hoopje vogel op de terras tegels. Sneu. Vandaar dat wij na het ramen lappen de kinderen altijd even naar buiten sturen om met water en zand mooie kunstwerken op de glimmende ramen te maken. Kunnen de vogels er niet meer tegen aan vliegen. Kunnen wij niet meer naar buiten kijken, maar ach, je moet iets voor de kwetsbaren onder ons overhebben.

Men neme een koolmeesje. En dat koolmeesje vloog tegen een raam aan. Een gelapt raam. Kan haast niet anders. Of misschien werd zijn blik vertroebeld door de schaal met vers gebakken koekjes die binnen op de tafel stonden. Hoe het ook tot stand kwam, er volgt een harde Pats! En vogel stort ter aarde. Of eigenlijk stort hij op het balkon. Waar hij zich verstopt onder een tafel. Of waar zij zich verstopt, maar bij een vogel is dat soms lastig te achterhalen.

De bewoonster van het huis, verder te noemen heldin 1, besluit een reddingspoging te ondernemen. Ze neemt het naar adem happende hoopje vogel op haar hand, begint met mond op snavel beademing en na luttele minuten gooit ze het vogeltje over de rand van het balkon. Zo de ruime wereld weer in. Vogeltje fladdert wat, tsjilpt misschien nog een dank je wel heldin! En vliegt weg. Heldin gaat verder naar haar koffie tafel met verse koekjes.

Wat heldin echter niet zag, is dat het tsjilpen geen bedankje was, maar een help! Mijn vleugel is lam! Help! Dat soort getjilp. Als heldin naar binnen gaat, stort het vleugellamme vogeltje zo naar beneden. Om op de straat stenen tot stilstand te komen. Bij de achterdeur. De deur met dat kattenluik. Maar gelukkig zijn ook de geursensoren van de huiskat uitgeschakeld door de lucht van versgebakken koekjes. Kat krolt (of wat een kat ook doet) op de schoot van baasje in de hoop om een paar lekkere kruimels te krijgen. Misschien wel een heel koekje, maar bazin heeft het over kattendieet. Als de kat de geur van vogel opsnuift en naar de achterdeur loopt, is de redding echter nabij.

Tromgeroffel, tromgeroffel. Wie is er eerder bij hoopje veren op straat? Kat met honger of held nummer 2. Held in de vorm van een jongetje. Een jongetje van 6 die de nieuwe Freek wil worden. Dierenredder en dierenvriend. De kat is bij de achterdeur, poot kleppert al tegen kattenluik aan en jongetje ziet snorharen van kat door de deur naar buiten komen. Ksst, kstt, roept het jongetje en begint te rennen. Kat druipt af met staart tussen zijn benen en jongetje ontfermd zich over inmiddels blinde vink. Vleugellamme blinde vink. Jongetje neemt vogel mee naar huis en samen worden ze de beste vriendjes. Vogeltje en jongetje. Onafscheidelijk zijn ze. Net als Pluk met zijn kakkerlak.


En dit allemaal naar aanleiding van een foto op Facebook en mijn sarcastische opmerking die door de heldin van dit verhaal, die uit Limburg, niet op prijs werd gesteld. Maar u ziet, ik kan ook verhalen tot een goed einde schrijven. Het was per slot van rekening een koolmeesje en geen spreeuw die op weg was naar de Engelse pastei. 

vreemde vogel.

maandag 5 augustus 2013

Haaien.

We gaan naar opa en oma! Bij opa en oma is het altijd leuk, want ze hebben een grote tuin en daar staat een molensteen in. En bomen om in te klimmen en gras om te voetballen. Opa en oma hebben ook gewoon fietsjes en stepjes. En snoepjes. Een hele kast vol. Opa en oma hebben de oorlog meegemaakt en zorgen altijd voor veel eten. Voor heel veel eten. Want er zal toch iemand op visite komen en je hebt niets in huis.

“Opa!” “Oma!” Julia en Rune rennen naar binnen en blijven bij de keukendeur stokstijf staan. Opa doet verband om oma’s voet. Heel voorzichtig. Oma glimlacht naar de kinderen die ademloos staan te kijken. Opa bromt dat ze te snel hebben gereden. Oma zegt dat opa niet opschiet. Maar opa gaat voorzichtig verder. Opa houdt heel veel van oma. Dat kun je zien. Aan zijn blik en aan alles wat hij voor oma doet. Altijd. Er staat een rolstoel in de kamer. Rune en Julia gaan daar voorzichtig inzitten terwijl mamma de koffie aanzet. Stil kijken ze naar wat opa met oma doet.

“Wat heeft u oma?” Vraagt Rune zachtjes om opa niet te storen. “Oma heeft een zere voet” Opa bromt. “Oma wilde zwemmen en ik had nog zo gewaarschuwd dat ze niet zomaar zonder bandjes in het water mocht springen. Ik had ook nog gezegd dat er in de sloot haaien zwemmen.” Rune schiet in de lach. “In een sloot zwemmen geen haaien opa!”Julia lacht ook. Oma met een zwembandje. Dat is pas raar zeg. “Maar oma luisterde niet. Oma ging helemaal alleen zwemmen en nu heeft een haai haar tenen opgegeten.” Opa kijkt heel serieus. Oma ook. “Oma?”fluistert Julia met een heel klein stemmetje. “Oma, bent u echt een teen kwijt?” “Ja, meisje. Oma is twee tenen kwijt en opa doet nieuw verband om mijn voet.” “Komt dat door een haai in een sloot?” vraagt Rune met grote ogen. Hij kijkt zijn opa aan. “Ja, jongen. Pas als je A-B en C hebt, kun je zwemmen in de sloot. Dan ben je sterk genoeg om met de haaien te vechten. Dan bijt je een teen van de haai af.” Rune knikt. Hij snapt het. Julia knikt ook. Stil kijken ze hoe opa een pleister op het verband plakt en oma’s voet op een krukje neerlegt. Voorzichtig. Oma krijgt nog een kus ook.

“Nu gaan we koffie drinken. Met iets lekkers.” Zegt oma en ze stuurt opa naar de keuken. “In de koelkast staat limonade voor de kinderen” Oma draait zich om naar de kast achter haar. Daar liggen de viltstiften en de kleurboeken. En de trommels. Gekleurde trommels met allemaal lekkere dingen. Van mamma mag dat eigenlijk niet, maar oma zegt dan dat ze nu bij oma zijn en bij oma mogen de kinderen snoepen.


Julia en Rune tekenen een sloot met een haai. Een haai met mensen tenen. Met oma’s mensentenen. En de volgende dag zijn opa en oma de helden van de school. Oma die met een reuzenhaai zwom en opa die met blote handen de haai uit het water trok, zijn buik opensneed en oma’s tenen weer terug plakte. Met een pleister. En toen kreeg opa een kus van oma.

Je bent pas echt overleden als alle herinneringen weg zijn.

dinsdag 25 juni 2013

De schat van de Familiea

Hier sta ik met mijn klompen in de zompige klei. De kou dringt door mijn wollen sokken en trekt mijn rug krom. Niets wil groeien op deze vermaledijde gronden van de Waert. Een handvol appelen heb ik geoogst. Niet eens voldoende om de monden van mijn gezin te voeden. Jaar na jaar komt er een baby bij. Op de lange regel liggen ze. Op bedden van stro. 

Hard werken is het hier op deze natte gronden. De dijken laten regelmatig water door en dan lopen de tuinen onder water. Waar veen wegslaat, ontstaat moeras. Met mislukte oogsten en hongersnood ten gevolge. Stormen slaan de rieten huizen van de buren weg. Gedreven door pure armoede verlaten de mensen dit zware leven. In de hoop om elders rijkdom te vinden. Wij  niet. Wij blijven als trotse West-Friezen.

Eten. Als we eerst maar eens genoeg te eten hebben. Ziektes liggen op de loer. Door het gebrek aan vitamines en door het gebrek aan warme droge kleding breken er epidemieën uit. 3 kinderen liggen hier. Voor een vierde wordt gevreesd. Maar nu bloeiden mijn bomen en groeiden er vruchtjes. God is ons gunstig gezind, want er hangen mooie gouden vruchten aan de boom. Wat zal dat een thuiskomst zijn, als ik binnenstap, kromgebogen door het harde werk en de mand op tafel zet. De mand met mijn schat. Van onschatbare waarde.  

Maar nu net vandaag, nu net als ik de oogst binnenhaal, bereiken mij de berichten over strooptochten van de Hollanders. De verdoemde Hollanders! Al eeuwen is er een strijd tussen ons en de Hollanders. Maar ik zal mijn gezin tot de laatste snik verdedigen, ik zal er voor zorgen dat mijn schat niet in handen valt van die Hollanders! Ik verstop hem, en als de Hollanders wederom verslagen zijn, kom ik tevoorschijn en haal ik mijn schat op. Zodat mijn zegetocht groots zal zijn! En mijn kinderen trots kunnen opgroeien!


Was getekend in het jaar des Heres : 1134




Johan van Familiea.

Nu nog een plek vinden om mijn schat te verstoppen!

zaterdag 15 juni 2013

krokodillen vangen.


Bram gaat vissen. In de tuin. Of eigenlijk in de sloot achter het huis. Hij gaat op pad met kruk, hengel, schepnet en koelbox. Een kind moet per slot van rekening ook eten. Wat ga je doen? Vraagt mamma. Stomme mamma. Ziet toch dat ik een hengel heb? Ik ga krokodillen vangen! Bram ziet de mondhoeken van mamma trekken. Heeft moeite om niet in lachen uit te barsten. Maar Bram ziet het toch. Er zitten geen krokodillen in de sloot schat. Ooooooh! Wat zijn oude mensen toch raar. Er zitten echt wel krokodillen in de sloot. Die leven in het riool en soms gaan ze zwemmen. In de sloot dus. Nieman in de klas gelooft het. Bram gaat bewijzen dat hij gelijk heeft. Gaat een krokodil vangen en die neemt hij dan morgen mee naar school. Kan iedereen zien dat hij gelijk heeft. Bram beleeft avonturen in zijn hoofd zeggen de grote mensen altijd. De kinderen lachen alleen maar. De kleintjes luisteren aandachtig. Tot zijn verhalen te spannend worden, dan rennen ze weg. Alle kanten van het schoolplein op. Krijgt Bram weer straf van de juf. Stomme juf. Stomme kinderen.

Doe je voorzichtig? Zorg je ervoor dat je weer droog thuiskomt? Niet met vreemde mensen praten en ook niet met vreemde mannen meegaan. Ook niet voor een snoepje en ook niet als ze jonge hondjes hebben. Grrr. Mamma doet alsof hij nog een kind is. Maar dat ben ik niet! Ik ben de enige krokodillenvanger van de stad! Heb geen tijd voor jonge hondjes. Bram loopt weg. Richting sloot.

Bram zit al twee uur te vissen en heeft al een paar vissen gevangen. Maar die heeft hij teruggegooid. Hij is niet aan het vissen. Hij jaagt op de krokodil van het riool. In de verte ziet hij hem liggen. Oogjes boven de waterlijn, geschubde rug vlak onder het wateroppervlak. Bram is niet bang. Heeft zijn voeten op de kant. Krokodil kan niets doen. Krokodil hoeft alleen maar aas te pakken en dan trekt Bram hem zo de kant op. Maar de krokodil blijft liggen waar hij ligt.

Ondertussen kijkt mamma af en toe over de schutting. Ziet haar kleine mannetje zitten. Stoere laarzen aan, koelbox onder handbereik. Pakjes chocolademelk en appeltjes zijn zo goed als op. Mamma ziet dat zoon tegen niemand praat. Met niemand meegaat en geen interesse heeft in wat voor hond dan ook. Bram vist en mamma heeft twee keer gezien dat er een spartelende vis aan haakje hing. Vissen gingen weer terug het water in. Mamma lacht en is trots op haar mannetje. Mamma vreest dat de krokodillen niet zo goed bijten vandaag. Mamma bedenkt een plan.

“Bram!!” “Bram help!” Bram haalt zijn hengel uit het water en luistert. “Bram! Een krokodil! Een krokodil in de tuin!” Bram kijkt naar krokodil in de sloot. Haalt zijn schouders op. Rare mamma. De krokodil zit nog gewoon hier. Maar mamma blijft roepen. “Een krokodil! Een krokodil! Help dan toch Bram!” Bram draait zich om en ziet een hele groep mensen bij de schutting staan. Kinderen worden opgetild door vaders en kijken zo over de schutting de tuin in. ZIJN tuin in! Snel pakt hij zijn spullen en rent naar huis, gaat zelf kijken wat mamma zo bang maakt. Hoeft niet opgetild te worden, want hij kan via de poort gewoon zo de tuin in.


In de tuin staat zijn mamma. In bikini. In het zwembad. En mamma vecht een zware strijd met een groen monster. Met een groene krokodil. Bram ziet glurende mensen verbaasd over de schutting loeren. Hij grijnst! Hij grijnst en springt zo met zijn laarzen het zwembad in. Gaat samen met mamma de strijd aan met grote krokodil. Psssssssssst doet krokodil als Bram zijn Achilleshiel heeft gevonden. Pssssssssssst en krokodil geeft langzaam de strijd op. Verslapt in de armen van mamma. Mensen achter de schutting klappen allemaal. Mamma geeft Bram een knipoog. Wat een gekke mamma heb ik, denkt Bram als hij naar zijn mamma kijkt. Maar we hebben mooi wel een krokodil gevangen!

maandag 27 mei 2013

Mac vreselijk.

Finn verjaart, 6 jaar en hoewel we zijn verjaardag pas zaterdag vieren, mag hij uitkiezen wat hij wil eten. Spaghetti zegt hij. Mac vreselijk fluistert zijn zusje en die kipnuggets, die kipnuggets doen het hem. Meneer wil wel naar de Mac vreselijk. Zus blij, broer blij, Big macs, Finn blij, want broer en zus blij. Kinderhand is snel gevuld.

Bonnetjes, we hebben kortingsbonnetjes en die bonnetjes zorgen voor korting. Ligt verscholen in de naam. KORTING! De vorige keer dat we allemaal door de glijbaan van de Mac reden, zat pappa achter het stuur, want mamma durft dat niet. Pappa sprak in televisie en Finn vroeg zich af of het wel goed ging met pappa. Pappa sprak namelijk tegen televisie. Tegen televisie zonder plaatjes of bewegend beeld. Erg vond ik dat. Jongste zoon die dus doorhad dat pappa af en toe vreemd deed.

Nog veel erger vond ik het vanavond. Want klaarblijkelijk is het de normaalste zaak van de wereld voor mamma om tegen televisies te praten. Er werd helemaal niet gevraag of het wel goed ging met mamma. Gesprek tussen mamma en donkere beeldbuis werd voor kennisgeving aangenomen. Mamma sprak duidelijk. Over bonnetjes. En zonder saus. Bonnetjes met chocolademelk. En mamma moest in plaats van 18.50 opeens 22.45 betalen. Maar mamma kan toevallig heel goed rekenen en trapte er niet in.

Meisje bij kassa 1 gaf haar fout toe en ja, inderdaad 18.50 moest het zijn. Mamma blij, meisje achter eerste loket niet zo. Zeurende klanten ook altijd! En dat op de maandag. Week was nog maar net begonnen.

Meisje achter kassa 2 schuift raam open en geeft een tas door. Mamma zet de tas op de bijrijderstoel en wacht af. Meisje heeft raam alweer dicht. Kijkt naar mamma. Mamma kijkt terug. Vriendelijk lachend. (Nog wel) Meisje schuift raam weer open. "Ja?" "Ik krijg nog een paar spullen. Kinderdoosjes bijvoorbeeld" "O!" Meisje schuift raam dicht, komt terug met twee doosjes. Raam dicht. Raam open; flesjes chocolademelk en knijpfruit gaan naar buiten. "Heb ik nu alles?" Vraag ik maar ik praat tegen dichtgeschoven raam. Het zal wel. Ik rij een stukje, maar besluit dan toch even te kijken. Big Macs van Niels missen. Grrrrrrrrr. Krijgt die jongen een keer twee Big Macs in 1 keer, zitten ze er niet bij!!

Ik zet mijn auto in de achteruit en parkeer hem dwars op een parkeervak. Parkeervak 1! Kom nog een collega van school tegen. Sorry voor mijn rode hoofd en het ontbreken van tijd voor een gezellig gesprek!! Maar ik wil wel graag mijn Big Macs hebben. Nou ja, die van Niels dus. Meisje van raam 2 wil eigenlijk naar buiten komen om te zeggen dat ik alleen daar mag parkeren op aanwijzingen van het personeel, en dat zij die aanwijzingen niet had gegeven, maar besluit bij het zien van mijn rode hoofd, eieren voor haar geld te kiezen en veilig achter raam te blijven staan. "Ik heb geen Big Macs gekregen" zeg ik tegen dicht raam. "Bonnetje???" Vraagt ze door raam. Ik wapper met bonnetje. Zo dat ze het net niet kan zien. Deur gaat open, op een kier en meisje kijkt naar bon. "O ja, inderdaad. 2 big macs. En die heeft u niet?" Nou eigenlijk wel, maar ik wil er nog twee gratis en dus laat ik de rest van mijn eten koud worden in de auto. "Nee, die heb ik niet" Deur wordt dichtgeslagen.

Ik blijf staan. Naast raampje twee. Zwaai vriendelijk naar mensen in langsrijdende auto’s, blokkeer het uitzicht van binnen etende mensen en knik naar auto’s die door de glijbaan rijden van Mac vreselijk, en bij meisje nummer twee blijven staan om te wachten op patatjes. Knikken aarzelend terug.

Na 5 minuten gaat de deur wederom open en zie daar! Ik krijg zowaar de Big Macs in een zakje. Niets excuses voor de koude patatjes, en voor de warme toetjes. Nee, hoor. Meisje drukt zak in mijn handen en doet de deur weer dicht. Ik loop naar mijn auto. Parkeren alleen op aanwijzingen van personeel. Scheef. Ik stond scheef zag ik. Tssssssss! was vast niet aangegeven.


Zoon had echter de tijd van zijn leven. Nog nooit zo veel toeterende auto’s met zwaaiende mensen gezien op zijn verjaardag. En dan ook nog kip nuggets eten in de auto! Want terwijl mamma gek deed naast de auto, aten jarige job en zus alvast hun doosjes leeg. 
Hoezo er is maar 1 big mac? Niels heeft er al twee!!

zondag 31 maart 2013

Kuikens.


De kuikens van school zijn bij ons te logeren en het geeft leven in de brouwerij. Of in het kippenhok. Het kippenhok dat in de kamer staat. ’s Morgens bij binnenkomst hoor je piep-piep-piep. En dat gaat vervolgens nagenoeg de hele dag door. Af en toe is het stil. Heel even, want dan besluit 1 van de kipjes opeens dat ze niet goed ligt en schuift met billen en resterend lijf heen en weer. Stoot tegen broer of zus aan, en vervolgens beginnen ze weer te piepen tegen elkaar. Haantjes gedrag. Net echte kinderen. Had ik al eerder gezegd.

De kippen kwamen met ons mee naar huis liggend op een zachte handdoek. Een behaaglijke warme dikke handdoek. Maar kipjes produceren heel veel meststoffen. En dat was dus een heel vies gezicht op de mooie, warme handdoek. Handdoek eruit, houtmolm erin. Dat hebben we geweten! Kuikens bleven een uur heel boos piepen. Tegen elkaar, tegen dat houtspul en tegen ons. Volume knop op 10. Piepende boze kipjes. Schuivend met hun pootjes, waarbij ze regelmatig in een spagaat schoven, maakten ze de bak weer schoon. Houtmolm werd verstopt in hun drinkbak.  Maar op een koude ijzeren vloer slapen gaat niet zo goed, dus bleven ze tot middernacht boos in het hok heen en weer lopen met houtmolm, ondertussen de Mattheus Passion piepend. Lijdensweg werd live verbeeld. Televisie hoefde niet aan. Wij zaten op de grond naar kuikens te kijken. Op een fleecedeken. Lekker warm. Verschil moet er zijn. Zij hebben een warmtelamp, wij een fleecedeken.
In de drinkbak met die troep! Wij willen onze handdoek terug!!

De volgende dag besloot Sophie dat er maar eens wormen gevangen moesten worden. Want dat lusten kippen. Goed voor een uitgebalanceerde voeding.  Sophie leegde de bak met wormpjes en kippen stoven uiteen. Wormen zochten een veilig heenkomen en kropen onder houtmolm. 1 Dappere kip ging op onderzoek uit en prikte in bewegend iets.  Stoof weer een hoek in bekeek bewegend hoopje molm. Liep wederom naar worm toe. Andere kipjes hielden hun adem in. Wij ook. Kipje begon jacht op worm. Pikte en pikte en pikte. Begon de smaak te waarderen en deelde dat met zusjes. Zusjes die langzaam dichterbij kwamen en met pootjes houtmolm wegveegden.  Jacht op wormen was geopend en daarmee ook de jacht op elkaar. Want had kip nummer 1 net een worm te pakken, kwam kip nummer 2 (of 3) aangerend, trok de worm uit bek van kip nummer 1 en rende door het hok. Achterna gezeten door kip nummer 1. Ondertussen liepen ze dwars over worm van kip nummer 4, die achter kippen nummer 1 en 2 (of3) aanging. Kip nummer 5 had ondertussen ook een worm en alle kippen vlogen achter haar aan. Werd een ware voedselstrijd in de bak. Hoezo delen van het voedsel? Uitgehongerd leken ze wel.

Het leeft nu dus in huis. Af en toe hebben ze ruzie met de warmtelamp, want dan worden ze geconfronteerd met hun eigen spiegelbeeld en indringer wordt duidelijk gemaakt dat het hok vol zit. Piep-piep-piep wordt dan afgewisseld met een harde tonk!! Grappig. Mini kipjes. Lief en aaibaar. Echt heel slim zijn ze niet. Hoewel, toen de kinderen vanmorgen weer een lading wormpjes in het kippenhok gooiden, wisten de kippen meteen wat ze te doen stond. Eten. Krabbelen met hun pootjes en er was genoeg voor iedereen. Harmonieuze paasmaaltijd.  
Sophie heeft een ander beeld bij een liefdevol paasontbijt. Onthoofd haar paaskip.

dinsdag 26 maart 2013

Draken.


Finn had eieren in de klas. Echte eieren. In een broedbak. Het was dus de bedoeling dat er “iets”uit de eieren zou komen. “Iets.” Een krokodil riep ik enthousiast. “Nee, mam dat was het niet. Het was iets anders. Iets van de paashaas” Een draak! Riep ik nog blijer. “Nee, dat was het ook niet. Het was geel. Ik weet de naam niet meer mam. Vraag maar aan de juf. Zet het maar op feestboek” Een dinosaurus dan? Deed ik een laatste poging om zoon de juiste naam te laten bedenken. “Nee, die zijn uitgestorven mam. En die zijn te groot voor de klas. Passen helemaal niet in die bak” Maar wel in het konijnenhok. Opper ik, maar zoon vind dat zielig voor de konijnen. Worden vast opgegeten door de dinosaurus en dan zijn er geen konij… “Kuikentjes!!!!!” Schiet hem opeens te binnen. Het zijn kuikentjes mam!

’s Middags kijk ik eens naar de groene broedstoof. Weet je heel zeker dat het geen draken zijn Finn? De bak is al groen. “Mam, het zijn gewoon kuikentjes. Gele. En dat worden later kippen. Zielig toch mam? Wij kunnen politie worden en brandweer, maar die kuikentjes kunnen alleen maar kip worden”

Na een paar dagen komen er twee meisjes naar me toe. “We hebben in de eieren gekeken en er zijn er een paar dood. Daar komen dus geen kuikentjes uit. Kun jij mooi die eieren wel meenemen, mag jij ze opeten” Ik kijk verschrikt naar kleine meisjes. Kleine meisjes met serieuze blik in de ogen. Heb totaal geen trek om eieren te eten waar halfgelukte, of dus helemaal niet gelukte kuikens in zitten. Heb spontaan geen trek meer in een gekookt eitje. Geen trek meer in een malse kipfilet ook.  Word stante pede vegetariër. Gelukkig voor mij heeft juf de mislukte onbevruchte eieren allang verwijderd. Het heeft zijn nadelen om in de tuintjes te werken met kleuterkindjes, want ze denken dat je alles wel even eet. Niet dus. Ik eet geen spruitjes en ook geen dode kuikens in ei.

Opeens is daar de dag dat er gaatjes in de eieren geprikt worden. Van binnenuit. De eieren schommelen in de bak en vaag, ergens ver vandaan hoor je zacht gepiep. Piep-piep-piep. Waanzinnig! Ik krijg het voorrecht om een ei vast te houden. Een ei met een gaatje in de schil. Een ei die piept en schuift in mijn hand. Ik raak zowaar ontroerd. Daar binnen zit een piepklein kuikentje die er erg graag uit wil. Een kuiken ja. Want heeft u ooit een draak horen piepen? Of een krokodil? Nee!! Zoon had gelijk. Het zijn kuiken eieren. En uit die eieren komen kuikens. Echte gele kuikens. Hoewel, ze dus helemaal niet geel en pluizig en schattig uit dat ei komen. Zijn net echte baby’s. Zien er werkelijk niet uit gedurende de eerste uren van het leven. Moeten opdrogen en bijkomen en bijkleuren. Wat ik al zei dus. Net mensen baby’s. Zien er ook vreemd, rimpelig en lelijk uit. Trekt allemaal bij. Ook bij kuikens.

En dan komt de dag dat Finn met alle kleuters naar een voorstelling mag in het theater. Iets met een ei en een staart en een draak en een bever die volgens de andere ouders een rat was en een oude buurman zonder benen en ….. ik raakte na 5 minuten de draad een beetje kwijt. Ergens tussen de hond en de vogel was dat. Of tussen de rat en de pad. Kinderen hadden ook een wisselende spanningsboog en vonden de klapperende rode pluchen stoelen veel leuker. Pas de laatste 5 minuten werd het weer spannend. Licht ging uit, tromgeroffel klonk en mamma draak kwam baby draak halen. Baby draak die uit ei was gekomen. Zie je wel!!!! Ik zei het toch!! Het waren dus toch drakeneieren en dit weekeinde mogen wij op ze passen. Morgen eerst de brandveiligheids thuis polis nog eens doorlezen. Of we wel verzekerd zijn bij binnenbrand door draken. We krijgen morgen gele draakjes mee naar huis. Gezellig!!

Ik heb geen foto van een draak en ook nog niet van de kuikens, maar we hebben wel een paaslamp.