woensdag 11 februari 2015

Joris in het ziekenhuis.

Jasper, vorige week voelde ik me niet zo goed. Ik werd iedere dag een beetje zieker. Uiteindelijk werd ik zelfs ’s morgens heel vreemd wakker en viel ik telkens om. Gelukkig kwam er iemand bij me op de koffie en die vond het maar vreemd dat ik telkens lag te slapen en geen antwoord gaf. Zij belde de ambulance. Het bleek dat ik heel ziek was en zelfs mee moest naar het ziekenhuis!!

Daar werd ik op een bed gelegd, we hadden daar wel met 100 muizen kunnen liggen! De kussens waren zo zacht dat ik er helemaal in verdween. Dat was wel heel handig, want dan kwam er een zuster en dan zag ze me niet! Hahhahaha! Kon ze ook geen pleisters plakken. Er lagen nog 3 andere mensen bij mij op de kamer. Dat was wel gezellig, maar iedere keer ging er een naar huis en dan kwam er een andere meneer of mevrouw voor in de plaats. Het leek eigenlijk wel een soort hotel. Sommige mensen bleven 1 nachtje, anderen een paar nachtjes. Ik moest uiteindelijk 8 nachten blijven!

Er kwam iedere dag wel iemand op visite, dat was helemaal gezellig! Ze namen van alles mee. Bloemen en lekkere zeepjes en tijdschriften en boeken. En ze namen vrolijkheid mee, want om maar een beetje in het ziekenhuis te liggen, daar is echt helemaal niets aan! Naast mij lag een mevrouw. Die had allemaal infusen in haar armen. Door die infusen kreeg ze dan voldoende vocht en medicijnen binnen. Maar als die mevrouw een stukje wilde gaan lopen, dan moest ze eerst de stekkers uit het stopcontact halen. Soms vergat ze dat. Dan ging ze op pad en trok ze bijna de stekkers uit de muur vandaan! Ook zag ze midden in de nacht rode auto’s door de zaal rijden. Dat hadden wij eerst niet door, want wij sliepen natuurlijk. Maar toen ze begon te zwaaien naar die auto, met infuus en al dus, maakte dat zo’n lawaai dat we allemaal wakker werden en haar in het donker zagen zwaaien naar een rode auto die wij niet zagen!

De tweede nacht dat die mevrouw er was, maakte ze het helemaal bont! Ze zag een spook op zich af komen. En op het moment dat het witte spook zich over haar heen boog, begon ze te gillen. De hele afdeling was in rep en roer. Een gillende mevrouw en een gillende zuster. Het spook was uiteraard geen spook, maar gewoon een zuster die het infuus kwam controleren. We hebben wat meegemaakt met die mevrouw. Zij is ook naar huis gegaan. En ik mocht haar ballon hebben. Een helium ballon. Dat zijn van die prachtige ballonnen die als je ze los laat zomaar de lucht in gaan. Ik pakte de ballon dankbaar van haar aan, want er stond een prachtige koe op. Maar dat had ik misschien beter niet kunnen doen. De foto die ik bij deze brief stop, is genomen precies op het moment dat ik zo de wijde wereld weer in vloog.

We spreken elkaar snel weer!! (Als ik ergens ben geland)


Groeten van Joris.

zondag 25 januari 2015

Hilde van Castricum.

Wie was je? Meisje Hilde? Nu sta je in het middelpunt van de belangstelling, maar kunnen je ranke schouders dat gewicht wel dragen? Word je niet een heel klein beetje nerveus van al die aandacht rond je persoon? Wie was je, jij met die doordringende ogen, die sproetige huid en rode haren? Een import bruid staat er op het bordje, of een slavin. Huishoudster of iets in die orde dus. Oorspronkelijk waarschijnlijk afkomstig uit het oosten van Duitsland. Hoe kwam jij terecht in een ondiepte in Castricum, een stukje apart van de andere graven, en ver verwijderd van je naaste dierbaren?

Was je een slavin? Werd je gebruikt voor het schoonhouden van het huis, voor het opvoeden en verzorgen van de kinderen, voor het voeren van de dieren en waren het lange, zware dagen? Je had een slecht genezen arm breuk. Was je geslagen, of was je gevallen? Vast staat dat je armbreuk niet voldoende rust heeft gehad om goed te helen. Het zal de rest van je leven een obstakel geweest zijn.

Was je een import bruid? Binnen het dorp gebracht om nakomelingen te baren voor de belangrijkste man in de gemeenschap? Uit DNA onderzoek is vast komen te staan dat je geen verwantschap vertoont met de andere mensen die tegelijkertijd met jou in de grond van Castricum zijn gevonden. Misschien had je nog geen kinderen, of misschien zijn die na jouw dood verder getrokken. Er zijn geen sporen van geweld aangetroffen op je lichaam. Was je ziek? Heerste er een ziekte binnen het dorp en zijn jullie daaraan gestorven? Bij mij blijft het knagen, waarom lag je toch apart? Bleef je zelfs na je dood een buitenstaander? Zijn je kinderen misschien gespaard gebleven en zijn ze verder getrokken met hun vader, met hun oom, met de overlevenden uit het dorp? We zullen het waarschijnlijk nooit weten.

Was je hier om je man bij te staan? Bij je lichaam zijn de restanten van een prachtige ketting gevonden. Je was dus niet helemaal berooid. Diende je echtgenoot een  veldheer en trok je met hem mee? Is je arm gebroken tijdens de barre tochten door het Noorden van Nederland? Sneuvelde je man in een veldslag of tijdens een tocht door het veen of was jij aan het einde van je leven te verzwakt om verder mee te reizen? Moesten jullie afscheid nemen ver van huis en haard? Stierf je eenzaam of in de warme armen van je man?


We weten het allemaal niet. Nog niet, want het mooie aan geschiedenis is dat de geschiedenis nooit helemaal vast staat. De geschiedenis is springlevend zolang we willen investeren in ons verleden. Door nieuwe technieken en nieuwe bodemvondsten, kunnen we stapje voor stapje de donkere plekken op de kaart invullen. Komen we ooit misschien nog iets meer te weten over de invulling van je leven. Waar je hebt gewoond, hoe je hebt gereisd en uiteindelijk hoe je toch terecht bent gekomen in de grond van een dorpje in Noord-Holland. Vast staat wel dat nu eeuwen na je dood duizenden mensen kennis met je maken. En iedereen die zich de tijd gunt om even in je ogen te kijken, ziet daarin de twinkeling, ziet daarin het verhaal van je leven. We moeten het alleen nog leren lezen.


maandag 19 januari 2015

Een wijze trol leerde ons:

Wie al eens door de uitgestrekte bossen van Zweden heeft gedwaald weet dat er een kern van waarheid zit in de verhalen rond de trollen en de elfen. Als je goed kijkt zie je de kabouters bijna zitten op hun bedje van mos aan de rand van de uitgestrekte bosbessen velden. De elfjes zweven vrolijk giechelend boven je hoofd en de trollen nemen een loopje met je. Je hoort ze wel, maar je ziet ze nooit. En ze zijn er wel. Niet voor niets zijn de schalen met pap een belangrijk iets rond Kerst. Want wee diegene die vergeet om een schaal met pap buiten te zetten. Er zal een slecht jaar volgen voor je. Dat ze er zijn, maar je ze niet te zien krijgt, blijkt ook aan het volgende: bij het uitruimen van je kledingkasten kom je kleding tegen die je niet meer aan kan. (Of niet meer aan wilt trekken) Die kleding leg je dan alvast buiten. Dat is handig, als je naar het dorp gaat, kun je direct de kleding in een container gooien. Als het al zover komt, want vaak is de zak de volgende morgen een stuk leger. Er is kleding verdwenen. En in hun huizen, verscholen onder rotsen, in de stammen van bomen, zitten dan trollenvrouwtjes jouw jurk te vermaken tot wel 4 rokken. Of tot gordijnen. Daar komen we natuurlijk nooit achter.

We dwalen af. Afgelopen zomer ontdekten we een stuk van de berg waar we nog niet eerder waren geweest. Vanaf het hoogste punt liep een soort waterweggetje naar beneden. En als je goed keek, was er een mini pad tussen de struiken door. Wij besloten de gok te nemen en te doen wat de bewoners 5000 jaar geleden ook al deden. Via de andere kant van de berg naar beneden wandelen. En daar kwamen we uit in een soort trollenstad. Overal waren huizen van trollen. Links van het pad, rechts van het pad en zelfs onder het pad. We hebben een paar keer in verwondering staan kijken, maar de trollen lieten zich als vanouds niet zien. We hoorden ze wel. Het zachte geritsel om ons heen zei ons dat we in de gaten gehouden werden. Volgens u hoorden we het waaien van de wind door de bomen, maar u bent vast nog nooit zo diep het bos ingegaan. Het waaien van de wind klinkt anders. Neemt u dat nu maar van mij aan.



Halverwege het pad kwamen we een enorm huis tegen. Het huis van de burgermeester trol. Hij was niet thuis, of in ieder geval deed hij niet open.  Maar hij moest wel reusachtig zijn te meten aan de afmetingen van zijn deur. We hebben wat bessen van de struiken geplukt en dat voor zijn deur neergelegd. Want een oppertrol moet je natuurlijk wel te vriend houden. We vervolgden onze wandeling en kwamen uit bij de oude burcht halverwege het pad omhoog naar Hjassan. En dan sta je midden in een stuk geschiedenis. Je ziet de mensen hier rondlopen met hun water en hun dieren. Je ziet de mannen over de stenen wallen lopen bewapend met speren om de vijand in de gaten te houden. Je ziet de kinderen spelen in het hoge gras en je ruikt de mest van de paarden.

Dat was van de zomer. Nu was het winter en waren we opnieuw in Zweden. Niet om te skiƫn, niet om te wandelen, niet om te genieten. Het huis is verkocht. Razendsnel is het gegaan en zo stonden we met dubbele gevoelens in ons geliefde stukje Zweden. Ons thuis, waar ons hart en ziel ligt. Waren we opeens bezig met een verhuizing en keken we voor de allerlaatste keer naar de zonsondergang boven de Omberg. Keken we een allerlaatste keer naar buiten en zagen we een takje buxus liggen. Buxus die nergens in de buurt groeit. Buxus als symbool dat het leven verder gaat. Grappig, maar hoe kwam dat nu in onze tuin terecht vroegen wij ons wezenloos af. Sophie had het verlossende antwoord. Want even verder zagen we de volgende voetstappen.



We gaan het missen. Ons mooie stukje Zweedse natuur en cultuur. Ons eigen plekje waar we helemaal ons zelf konden zijn en tot rust konden komen. Maar de wijze trol heeft gelijk. Er is altijd een toekomst. Een leven na. Hoe die voor ons gaat lopen, weten we niet. Net zomin als u dat van uw leven weet. Ooit komen we terug; Trollen, nissen, elfen en bosnimfen. Vi ses! Pas goed op elkaar. Doen wij dat ook.