zaterdag 21 december 2019

Verstrooid


Verstrooid.


Nee, het gaat dit keer niet over mijn verstandelijke status. Die staat op: emotioneel en oververmoeid. We gaan het hebben over opa. Mijn opa. Weet u nog? Hij ging vandaag precies 7 jaar geleden naar Mexico City. Op reis. Voorgoed. Nu blijkt hij de afgelopen jaren niet verder te zijn gekomen als het dressoir van zijn ene dochter, de vloer naast een plant bij de andere dochter en nog een paar woonkamers van kinderen. Opa hopte van huis naar huis. Geen wonder dat ik nooit een kaartje kreeg. Groeten uit Mexico City.

Vandaag was het tijd om hem echt de vrijheid te geven. Ik heb het daar moeilijk mee. Mis hem daadwerkelijk nog steeds. Mijn jongste zoon gaat naar een school langs de Bergerweg. 4 dagen in de week rij ik naar Bergen en bedenk me zelfs na 7 jaar regelmatig dat ik bij opa op de koffie kan. Niet dus. Of wel, maar de nieuwe bewoner vindt het vast vreemd als ik daar weer in de tuin zit met thermosfles en picknick kleed. Ik hoor opa nog lachen en zie hem zitten op zijn stoel aan de tafel voor het raam. Stralend als er mensen op de koffie kwamen. ‘Hoe gaat het met je broer? En met je man?’ Overigens mis ik mijn oma ook nog steeds. Regelmatig fiets ik naar haar graf. Praatje maken. Oma op de hoogte houden van de stand van zaken. Alleen rond mijn eigen gezin. Die is al ingewikkeld genoeg. Verder mag iedereen leven hoe ze leven willen.

Ergens heb ik altijd gedacht dat opa en oma na hun beider overlijden wel herenigd zouden worden. Zoveel liefde voor elkaar. Maar opa zat dus al 7 jaar in een pot. Opa ging ook nu niet terug naar zijn vrouw, hij kreeg zijn vrijheid. De ultieme vrijheid. En ik heb het daar moeilijk mee.

Vandaag dus. Opa werd uitgestrooid op 1 van de mooiste plekken van Noord-Holland. Ben ik het helemaal met hem eens. Net als opa gingen wij regelmatig met de kinderen naar de Honds Bossche Zeewering. Met storm; zonder storm; met regen en sneeuw. Tijdens het aanleggen van de nieuwe duinen hebben we regelmatig naar de vorderingen gekeken. Vanuit de auto. Met verse vis, broodjes en koffie. We hebben voor het laatst een bezoek gebracht aan het gezonken schip alvorens hij definitief onder het zand verdween. Precies op deze plek kwamen we vanmorgen samen. De ooms en tantes, een aantal kleinkinderen en 2 achterkleinkinderen. Opa zou genoten hebben.

Te zien hoe we daar stonden. Elkaar waarschuwend voor hondenhopen. De tas waar hij in zat. (Van de kampeer en caravan club. Hoe toepasselijk) Het deksel dat muurvast zat op het moment suprême. “Iemand een slijpschijf mee?” Tip voor een ieder die na ons gaat verstrooien: Oefen thuis even hoe het deksel open te maken.

Dan zie je de verschillen. Alle kinderen zijn anders. Strooit de een ingetogen, staat de ander bijkans dansend haar vader zijn vrijheid te geven. Het was goed. Moeilijk. Maar goed. Niemand hoefde, iedereen mocht. Ik wilde niet. Het idee om hem weg te gooien, vreselijk! Alsof je een oude krant in de container werpt. ‘Je gaat spijt krijgen. Doe het toch maar. Neem afscheid.’ Samen met mijn broer. Gelukkig wilde hij samen. Dat gaat als volgt: je ziet as. As in een pot. Net van de as die we in Zweden op de vuurplaats hadden na een kampvuur. Misschien iets lichter van kleur. Je mag een handje opa pakken. Jee, dit klinkt apart. Een handje opa. En je gooit. Ga dan inderdaad maar de wijde wereld in. Op reis. Over de zee, over land. Het was goed.

Maar dan kijk je naar je hand. Je grijze hand. Opa gaf af. En je veegt je hand af aan je jas. Je zwarte jas met grijze vegen. Opa hangt nu in mijn jas! En dat mag opa. Want ook wij gaan op reis. We rijden naar het kapelletje van Keins, halen verse vis bij de afslag en regelmatig piepers en aardbeien in de polder. Opa reist genietend met ons mee.

Kunnen we afspreken dat u af en toe nog langskomt voor koffie? Die staat bij mij altijd klaar. Gewoon binnen op de bank. Of op een picknickkleed ergens langs de kant van de weg met een thermosfles en iets lekkers. Op u. Op oma. Op familie. Op het leven. Op de vrijheid van het vrij zijn. Ik mis u nog steeds.

Anna Marie







dinsdag 5 november 2019

Klaar voor de volgende ronde(s)



 Een paar weken geleden kreeg ik een enveloppe in de bus met daarin de medische verslagen van de afgelopen 2 jaar. Het was voor mij moeilijk om te lezen dat de uiteindelijke conclusie van alle medici dezelfde was. Uitbehandeld. Blijvend gehandicapt.

Ik schreef vervolgens iets op fb over deze uitkomst. En verwijderde de post even zo snel weer. Want ik ga niet dood. Dat is het mantra die me op de been houdt. Ik lees op fb namelijk ook posten van mensen die wel dood gaan. Aan kanker, aan ALS, aan welke andere vreselijke ziekte dan ook. Volwassenen, maar ook kinderen. Ik mag van mezelf dus niet zeuren over een kapotte arm.

Maar weet u: die arm is mijn realiteit. Mijn dagelijkse worsteling. Tot 24 augustus 2017 kon ik alles en deed ik alles. En daarna niet meer. Bedrijfsongeval. De eerste maanden ga je hard aan het werk in de hoop dat met fysiotherapie en rust je arm geneest. Als dat niet gebeurt, verleg je de grens en ga je op voor een operatie. Om daarna te revalideren en sterker terug te komen. Maar mijn arm werkte niet mee. Vanaf de allereerste dag zit er geen verbetering in. Sterker nog: mijn arm ging achteruit en zal alleen nog verder achteruit gaan. Mijn gemoedsgesteldheid ging diezelfde kant op.

Wat ik me nooit heb gerealiseerd is hoeveel boosheid en woede ik in mijn systeem heb. Die woede heeft u ook. Dat is menselijk. Het is een emotie die iedereen heeft, maar meestal prima te kanaliseren valt. U hoeft niet bang te zijn dat ik auto’s ga bekrassen, of ga schelden midden op straat. De woede en boosheid zitten van binnen. Ik ben boos op mezelf. Omdat ik mijn arm niet beter kon maken. Omdat ik de hele dag moe ben van de verzengende pijn in mijn schouder en arm. Omdat ik niet meer de moeder kan zijn voor mijn kinderen die ze verdienen. Zo 1 die met thee en versgebakken koekjes thuis op ze wacht als ze uit school komen. Ik lig meestal te slapen ’s middags. Omdat mijn lichaam dood en doodmoe is.

Boos ben ik ook een beetje op de medici. Of eigenlijk niet boos; meer teleurgesteld. Hoe kan het dat we naar de maan kunnen en straks met zijn allen gezellig gaan picknicken op Mars, maar dat mijn schouder niet gerepareerd kan worden? In het voorjaar opperde mijn huisarts de pijnkliniek. En ik weigerde. De pijnkliniek? Dat is hetzelfde als de handdoek in de ring gooien en Anna Marie heeft haar hele leven nog nooit met welke handdoek dan ook gegooid. Zelfs niet nu ik zo boos ben.

Die boosheid verteert je. Maakt je labiel en vechtlustig en labiel en vechtlustig en moe. Vooral moe eigenlijk. (Vechtlustig als in: we gaan keihard trainen en komen hier bovenop.)

Ik wil niet met die boosheid leven; ik wil niet met de pijn leven; ik wil geen hulp bij het afdrogen na het douchen; bij het aankleden; bij het boodschappen doen; bij het eten koken; bij alles waar je 2 armen voor nodig hebt. Ik deed alles altijd zelf en ik wil de regie terug! En ik wil heel graag een nieuwe cv ketel, maar dat heeft dan weer niets met mijn schouder te maken.

In 1 van de medische documenten kreeg de intense pijn een naam: postoperatief pijnsyndroom. Ik kan mijn hoofd wel in het zand blijven steken, de pijn verdwijnt niet. Mijn spieren wel; aanzienlijke afname spiermassa schouder en bovenarm musculatuur links. Hoog tijd dat we de regie terug pakken. Pijnkliniek of revalidatie arts. Zodat ik ga leren accepteren dat ik gehandicapt ben aan mijn arm,  leer omgaan met de pijn en ergens in dit proces ga accepteren dat er hulpmiddelen op de markt zijn om het dagelijks leven begaanbaar te houden. Misschien zet ik binnenkort dan ’s middags wel weer thee met zelfgebakken koekjes op tafel voor de kinderen. Ik ben klaar voor de volgende ronde!



vrijdag 21 juni 2019

Work-out. Waarom ik op een bejaarde pinguïn lijk.



Na een pauze van 2 maanden ging ik met een dubbel gevoel terug naar de fysiotherapiepraktijk. Mijn arm was er in deze pauze niet beter op geworden en ik had de serieus leuke fysiotherapeut daadwerkelijk gemist. (De gesprekken, de humor en zelfs de dry needling behandelingen) Aan de andere kant had ik wél rust in mijn hoofd.

Als de fysio doodleuk constateert dat de pauze dus geen soelaas heeft geboden en we het nu over een andere boeg gaan gooien, hoop je stiekem dat je 2 keer in de week op de behandeltafel mag klimmen. Helaas. De fysio bedoelt met over een andere boeg gooien: je gaat meedraaien in 1 of ander trainingsprogramma. Onder leiding van een ernstig jonge instructeur ga je een work-out volgen in een sportzaal. Zo 1 waar mensen in strakke pakjes aan hun lichaam werken, mannen met T-shirts zonder mouwen hun okselhaar tonen aan een ieder die wil kijken. (Bah!) Een ieder vooral niet wil kijken, maar die trainingsruimtes zijn ingericht als moderne Sm ruimtes. Spiegels waar je maar kijkt. Waardoor je met je ogen dicht moet trainen omdat je hangend okselhaar nu eenmaal niet zo charmant vindt, zeker niet weerkaatst door ontelbare spiegels. Ik werd dus naar een Sm martelkelder gestuurd.  Tot zover de liefde voor mijn fysio. Wat snel kwam, gaat net zo snel voorbij.

Op de ochtend van eerste training sta je onder de douche niet alleen te klungelen om je oksels bij te werken, aangezien het buiten 25 graden is en het echt vreemd zou zijn als ik in mijn snowboard broek aan zou treden, sta ik ook onderbenen te ontharen. Treed aan met korte broek, shirt en rugtas van zoon gevuld met hardloopbroek van tig jaren her met hip synthetisch shirt met kraagje en hardloopschoenen uit het jaar kruik. Nog voor ik me kan bedenken, komt trainer de trap af. We beginnen direct. Niets omkleden, gewoon direct richting martelkamer. Martelkamer zonder spiegels en belangrijker: zonder mouwloze mannen met hangend okselhaar.

We beginnen met fietsen. Dat wil zeggen: IK begin met fietsen. Trainer gaat er gezellig naast zitten en praat. Dat is niet erg, maar hij stelt tussendoor ook vragen. Vragen waar ik antwoord op moet geven, terwijl ik fiets ook boven de 90 omwentelingen per minuut moet houden. Het zweet gutst van me af. Trainer meldt monter dat ik slechts 5 minuten hoef te fietsen gevolgd door de volgende vraag. Ik heb slechts 1 vraag: hoe lang duren 5 minuten? Ondertussen probeer ik mijn ademhaling onder controle te krijgen om niet als een vrouw in barensnood te klinken. Waar in vredesnaam is mijn conditie gebleven?

Na het fietsen mag ik op een bankje liggen.  Mooi, even uitrusten. Niets daarvan! We gaan een Dumbell press doen. Met rechts. Links doen we helemaal niets. We beginnen met een halter van 4 kilo. “Eitje toch?” Roept trainer vrolijk. Ik heb inmiddels weer praatjes en roep net zo vrolijk terug dat dit inderdaad een eitje was. We gaan een gewichtsklasse hoger. Of een paar gewichtsklassen hoger, want volgende halter is direct 10 kilo. Niet zeuren, gewoon stoten. “Eitje toch?” Roept trainer wederom. Ik antwoord al iets minder vrolijk. We sluiten af met 12 kilo. 12 kilo waarvan ik de sessie niet eens helemaal kan volbrengen. Trainer roept ook geen eitje meer. Net zo teleurgesteld in mijn kunnen als ik zelf.

Wat volgt zijn Lunges. Dat je 1 voet voor je op de grond plaatst, door je andere been naar beneden zakt en je knie de grond niet mag raken. Bij deze oefening word ik herinnerd aan een versleten knie en de pijn schiet er dan ook direct in. Maar opgeven doen we niet, we maken de sessie netjes af, hoewel ik meer op een hoogbejaarde pinguïn lijk. Gelukkig zijn er geen spiegels.


De Leg press. Top apparaat! Vond ik vroeger ook al leuk. Hoeveel ik weeg vraagt trainer. Nu heb ik helemaal geen weegschaal, maar 2 jaar geleden zat ik onder de 70 kilo en we zijn nu 2 maten groter gegroeid qua broeken. Iedere maat een paar kilo bereken ik snel. “72 kilo” hoor ik mezelf zeggen. Geen idee of dat zo is. Ik mag plaatsnemen en trappen. We beginnen met 42 kilo. “Eitje” zeg ik. Nieuw stopwoord. “Dan gaan we nu je eigen lichaamsgewicht wegtrappen.” Ik verslik me half en ben blij dat ik geen weegschaal thuis heb staan en dus niet eerlijk 80 kilo heb gezegd. “Of 110” grapt vrolijke trainer. 

Zo draaien we door de trainingsruimte en ik begin er zowaar lol in te krijgen. Tot we liggend op de grond buikspieroefeningen moeten doen. De paniek slaat toe en ik blokkeer volledig. Als ik ’s nachts in bed lig en geen muur onder mijn arm bouw met kussens, klikt mijn schouder de hele tijd tot de pijn zo hevig is dat ik naar beneden wandel om de resterende uren van de nacht op de bank door te brengen. Het beeld dat ik hier op de grond liggend mijn schouderblad ergens uit klik en dat mensen mij dan overeind moeten gaan helpen, zorgt daadwerkelijk voor paniek. Dit gaan we dus NIET doen. Toffe trainer blijft rustig, blijft praten en krijgt mij zelfs zo ver dat we oefening voortzetten op een bankje. “Eitje” roep ik al weer dapper, maar ben stiekem enorm blij dat deze sessie afgelopen is.

De afgelopen 2 dagen ben ik voornamelijk om huis gebleven. Liep namelijk alsof ik in mijn broek had geplast, bedacht me 5 keer voor ik een trap op klom en wandelde ’s nachts ook niet naar de bank, maar bleef in mijn bed zitten wachten tot het ochtend werd. Ik voelde spieren waarvan ik niet meer wist dat ze bestonden. Thuis oefenen? Kwam niet verder dan een paar baantjes zwemmen in mijn zwembad. Toch ga ik morgen gewoon weer naar de martelkamer zonder spiegels. Omdat ik het wel een kans wil geven. Omdat ik niet op voorhand de handdoek in de ring wil gooien en zo vrolijke trainer en serieus leuke fysiotherapeut teleur zal stellen*. Tegelijkertijd ga ik bedenken wat ik belangrijker vind: mijn schouder of rust in mijn hoofd.

Nu op National Geographic Channel aan het kijken hoe je als bejaarde pinguïn nog enigszins normaal voor de dag kunt komen.

Anna Marie










*: Uiteraard weet ik dat ik het hele traject alleen voor mezelf draai. Jezelf een schop onder de kont geven is alleen best lastig.