dinsdag 29 november 2016

(On) Zekerheid

Dan opeens zijn we een ASS bolwerk. Nee, jullie hoeven geen binnenlandse strijdkrachten op ons af te sturen, geen buitenlandse ook. We doen geen vlieg kwaad. Na jaren van onderzoeken en onzekerheid, kwam gister het bevrijdende woord. Ook onze jongste heeft een Storing binnen het autisme Spectrum. Een heftige. Anders dan die van zijn broer, anders dan die van zijn vader. Jongste heeft nog een aantal storingen die na maanden van onderzoeken nu aan het licht zijn gekomen.  Geeft niets, vinden we wel iets op. Autisme hulphond kwam al op mijn pad, maar ja, dan moet deze mamma eerst haar eigen angst voor honden overwinnen. Hond in huis. Het is niet nogal wat.

Onze jongste heeft geen filter om prikkels weg te houden uit zijn hoofd. Hij hoort alles, ziet alles en ruikt alles. Erger en heftiger als u en ik samen. Hij hoort 24 klasgenoten ademen, hoort 24 klasgenoten met hun schoenen schuiven, hoort het tikken van de klok en het dichtslaan van de buitendeur. De hele dag. Hoort auto’s rijden, hoort brommers brommen, ruikt de shampoo van de juf en het geurtje van de meester. Voelt de randjes van zijn sokken, het label van zijn broek en de ritsen van zijn jas. Tien keer erger als u en ik samen.

Onze zoon is op donderdag oververmoeid van alle indrukken, van alle geuren, van alle geluiden, van alle gesprekken. Drinkt water, want limonade is of te zoet, of juist niet. Wil graag cola, vanwege de grappige belletjes op zijn tong, maar mag dat niet van mamma. 
Krijgt van pure oververmoeidheid kringen onder zijn ogen, buikpijn en hoofdpijn. Kan ’s avonds niet slapen, want dan draait de film van overdag nog een keer af. Het tikken van de klok, het schuiven van de stoelen, de toeterende auto’s, de wind door de bomen. U en ik klappen ergens een paraplu uit en kunnen ons even afzonderen van de buitenwereld. Niet zo extreem als zijn vader en niet zo extreem als zijn broer, maar u en ik kunnen filteren. Jongste zoon niet en dus red hij eigenlijk de vrijdag niet. Kan hij het niet meer opbrengen om op zaterdag en zondag nog ergens naartoe te gaan, red hij het niet als er vriendjes aan de deur komen.

Jongste zoon is anders. Dat heb ik altijd gezegd. Als baby lachte hij je toe, sloeg zijn armpjes om je heen en wilde altijd, echt altijd daar zijn waar jij was. Separatiestoornis heet het met een mooi woord. Vond ik het heerlijk dat ik ook een echte baby had, blijkt het toch net iets anders te liggen. Onze zoon is anders, maar zo anders, dat had ik in mijn wildste dromen niet verwacht. Of nachtmerries. Vannacht schrok ik een aantal keren wakker. Het is allemaal een boze droom, maar dan lag daar op mijn nachtkastje toch echt dat rapport. Dat rapport waarin alles staat, in woorden die me niets zeggen, maar tegelijkertijd vertellen ze alles.

Verandert er nu iets? Jullie zoon is vanavond nog steeds dezelfde zoon. Uiteraard is hij dat, maar eigenlijk ook niet. Want hij is wel degelijk anders als vanmorgen, anders als eergisteren en anders als alle dagen die nog komen gaan. Onze zoon is in ontwikkeling. Net als wij. Net als zijn broer en net als zijn zus. Wat de toekomst hem en ons gaat brengen weten we nog niet, we zien het wel. Het ziekenhuis gaf de tip om hem naar een andere school te brengen, naar een gespecialiseerde basisschool. Dat is voor nu nog een stap te ver, we kunnen de Familieschool helemaal niet missen. Nu niet, volgend jaar niet en ook over 5 jaar geloof ik niet. Daar zijn de mensen ons veel te dierbaar voor. Maar als deze stap uiteindelijk onvermijdelijk blijkt te zijn, dan is het zo. Alles zullen we in het werk stellen om onze jongste net als zijn broer en net als zijn zus een mooie jeugd te geven, alles zullen we in het werk stellen om ze gelukkig te laten zijn. Want uiteindelijk is dat wat telt. En een onzekere toekomst? Hebben we die niet allemaal?

dinsdag 22 november 2016

Rune en zijn zoektocht naar buitenaards leven.

 ‘Mam, is er buitenaards leven op de maan?’ ‘Nee, dat denk ik niet, maar zeker weten doe ik het niet. Misschien ergens anders in het heelal wel, want het heelal is onmetelijk groot, er worden nog steeds nieuwe sterrenstelsels ontdekt en vanaf de aarde kunnen we steeds een stukje verder kijken.’ ‘Dus is er ergens anders buitenaards leven?’ ‘Dat weet ik ook niet, maar de kans bestaat dat er ergens anders ook een planeet is waar mensen een ozonlaag hebben en water. Volgens mij zijn dat de belangrijkste bronnen voor levensvormen.’ ‘Mooi! Ik ga die planeet zoeken!’

Nu nam mamma dat niet helemaal serieus, want de tijdmachine was ontmanteld en als oud hout naar de gemeentewerf gebracht, maar mamma kent haar kinderen na al die jaren toch echt nog niet! Als ze boven de bedden gaat opmaken, loopt Rune naar buiten. Hij kijkt om zich heen en er verschijnt een grote lach op zijn gezicht. Hij begint heen en weer te lopen tussen de schuur, de tuin en de woonkamer. Als mamma even later weer beneden is, ziet ze daar een grote chaos. Bossen touw, pvc pijpen, trekveren, toetsenborden, videocamera’s, bakken met schroeven, bossen kabel. Alles ligt op 1 grote hoop. Rune ziet mamma verschrikt om zich heen kijken. ‘Ja, u denkt nu natuurlijk; wat een bende, maar dit zijn uitvindingen! Ik moet ze alleen nog even uitvinden.’

Mamma mompelt ‘koffie’ en loopt de keuken in. ‘Als je net denkt dat je alles wel meegemaakt hebt in dit gezin’, en mamma mompelt verder. ‘Koffie.’ Ze mompelt vooral veel over koffie. Rune blijft even naar mamma staan te kijken, maar schudt dan zijn hoofd, ‘misschien wonen er hier wel gewoon buitenaardse mensen.’

Rune begint de spullen naar buiten te slepen, omdat het al aan het schemeren is en mamma zo nachtblind is als een mol zonder bril, ziet ze niet zo goed wat er gebeurt. ‘Geeft niets hoor mam, dan wordt u morgen wakker en dan ziet u een verrassing.’ Mamma begint weer te mompelen, ‘over dat ze niet van verrassingen houdt, dat ze inmiddels de verrassingen een beetje beu is.’ En ze neemt nog een kop koffie. Daar moeten we het toch eens met mamma over hebben. Ze is verslaafd aan koffie, maar nu eerst mijn uitvinding.

Rune is tot het avondeten aan het timmeren en zagen, na het avondeten zet hij een muts op zijn hoofd en verder gaat hij weer. Tot ver na bedtijd is hij bezig. Eindelijk, rond tien uur komt hij binnen. ‘Klaar! Mijn uitvinding is klaar en morgen ga ik buitenaards leven ontdekken. Als ik ze ontdek, mogen ze dan een keer komen logeren?’ ‘Tuurlijk, mag dat’ zegt mamma. ‘Hier kan toch altijd alles!’ ‘Dank u wel! Ik wist het wel, zullen het aardige mensen zijn? Als het geen aardige mensen zijn, moeten ze maar in de tuin slapen. Misschien kan ik ze ook wel een keer meenemen naar school. Dat mag wel van Meester R. toch?’ ‘Ja, jongen, neem jij vooral buitenaards leven mee naar school. Zullen ze tof vinden voor een IPC project.’  

Het sarcasme van zijn moeder ontgaat Rune volledig.  Gelukkig maar, want hij is vol van zijn onderzoek en uitvindingen.  Nadat hij naar bed is gegaan, tuurt mamma uit het raam, in de hoop iets te ontwaren van een of ander bouwwerk, maar ze ziet zoals iedere avond, alleen haar eigen spiegeling in het raam.


Wordt vervolgd…


woensdag 26 oktober 2016

Boek

Op aanraden van mijn lifeline op school, heb ik een boek besteld en ben ik hem na het bestellen daadwerkelijk gaan lezen. Ik bestel namelijk ook nogal eens boeken die ongelezen de vitrinekast inschuiven, of op een stapel onder mijn bed belanden. Ik bestel boeken namelijk nooit alleen. Ik ben verslaafd. Aan koffie en aan boeken. En als je vier boeken tegelijk binnen krijgt, lees je er 1 beneden, 1 boven en de andere twee bewaar je. In de kast, of op een stapel naast je bed. Uiteindelijk kiepert die stapel om en liggen ze er onder. Verscholen, tot de stofzuiger ze terugvindt.

Dit boek dus, ging ik lezen en het was zo pijnlijk realistisch, en zo pijnlijk herkenbaar, dat ik ademloos verder las. Niet stil. Absoluut niet stil, want de passages zijn af en toe zo briljant en treffend geschreven dat ik het uitbulder van het lachen. De vriendjes en vriendinnetjes van de kinderen die tussen de middag kwamen lunchen fluisterden mijn kinderen in het oor: ‘in ieder geval zoemt ze nu niet.’ Dat doe ik namelijk ook. Ik zoem volgens de mensen om mij heen. Vanaf mijn geboorte overigens al. Ik denk dat ik een auto ben. Volgens mijn collega’s een irritante bromvlieg. Mijn collega’s sporen duidelijk niet, maar dat is een ander verhaal. Ik lees het boek en ik bulder. De postbode die nog een pakket aan de deur bracht, lachte terug. ‘Gelukkig lachen uw ogen weer. Dat heb ik de laatste tijd gemist. En niet alleen uw ogen, ik hoorde u op straat al lachen. Welkom terug.’ Mijn postbode heeft mensenkennis, dat is wel duidelijk.

In het boek wordt beschreven hoe een man met een storing in het autistisch spectrum op zoek gaat naar een geschikte huwelijkspartner. En dat gebeurt aan de hand van een vragenlijst. Een evoluerende vragenlijst, want sommige vragen blijken niet helemaal duidelijk te zijn. Mijn echtgenoot had gelukkig geen vragenlijst, of althans; die heb ik nooit onder ogen gekregen. Hij liep wel rond op een feest met een meetlint en stukjes hout. Stukjes hout voor je doodskist.  Die mocht je zelf alvast uitkiezen, ik was nog maar 22! En een meetlint om vrouwen op te kunnen meten. Hun lengte. Echtgenoot is totaal niet ge├»nteresseerd in  borstomvang. Dan zou hij mij namelijk nooit hebben uitgekozen. Hij heeft mijn lengte nooit gemeten. ‘Jij bent 187’ was zijn originele openingszin. Echt by far de meest originele die ik tot dan gehoord had. Ook sindsdien nooit meer een betere gehoord.

Gisteravond besloot ik naar aanleiding van dit boek wat ik aan het lezen ben, de proef op de som te nemen. ‘Heb jij me uitgekozen vanwege mijn uiterlijk?’ ‘Nee, ik heb je zuiver uitgezocht op basis van je intelligentie. Uiterlijk is voor mij totaal niet belangrijk.’ Voor echtgenoot is dit dus duidelijk en kun je er geen speld tussen krijgen. Ik als vrouw denk dan toch minstens: dus je vind me niet knap? Echtgenoot begrijpt na 17 jaar huwelijk inmiddels wel dat als ik begin te zwijgen, zelfs zonder zoemen op de bank zit, dat er ergens iets niet goed is gegaan in de communicatie. Hij kijkt en hij denkt. ‘Niet dat ik je niet knap vind trouwens. Het is alleen totaal niet belangrijk. Niet voor de voortzetting van het genenpakket in ieder geval.’

De hoofdpersoon in het boek begint akelige gelijkenissen te vertonen met echtgenoot.

Nog een briljante passage is het bal. Hoofdpersoon gaat met een match van de vragenlijst naar een bal. En op dat bal moet hij zijn danskunsten tonen. Kunsten die hij heeft geoefend met een anatomisch skelet uit het biologielokaal. Zonder muziek. Dus de passen gaan geweldig, maar de band speelt een totaal niet passend ritme met alle gevolgen van dien en daar ging ik weer. Bulderend met tranen in mijn ogen vergat ik dochter op te halen, want ik zag de perfecte match al over de dansvloer gesleept worden met een toekijkende verbijsterende menigte. Dansvloer tamelijk leeg en iedereen in totale schok toekijkend naar bizar tafereel. Echtgenoot kan ook niet dansen. Doet danspassen na uit de jaren 50 en 60. Zwaait hip met de heupen en zwaait onhandig in de rondte met zijn armen. We passen eigenlijk best bij elkaar. Ik kan niet zingen.


Ongetwijfeld zal dit verhaal vervolgd worden. Nu nestel ik me op de bank. Met deken, met boek en met mooi glas wijn. De kinderen genieten van een zoemvrije avond en echtgenoot is gevlucht. Bang voor nog meer vreemde vragen. Of misschien is hij wel op stap met stukjes hout en meetlint. Op zoek naar een nog beter genenpakket.