dinsdag 7 november 2017

Achtbaan

‘Waar is jouw gips?’ ’ Ik heb geen gips.’ ‘Waarom heb jij dan je arm in een doek voor gips?’ ‘Omdat je ook zonder gips pijn kunt hebben in je arm.’ ‘Met gips heb je géén pijn meer. Ik denk dat je niets hebt. Wat heb je?’ ‘Een pijnlijke schouder.’ (En zweet druppelend tussen mijn schouderbladen, maar dat ga ik deze bijdehante kleuters niet vertellen) ‘Waaaaarom heb je dan een gipsen arm?’ ‘Ik heb geen gipsen arm.’ ‘Maar wel de doek voor een gipsen arm! Waar zit jouw gips?’ ‘Ik hoef geen gips. Ik heb een schouder die telkens uit de kom schiet.’ ‘Wauw!’ Roept de jongen die mijn verhaal ernstig in twijfel trekt. ‘Laat zien! Laat zien!! Kun jij die band daar lek schieten? Van die blauwe fiets. Die is van mij. ‘

‘Nee, ik kan geen banden lek schieten, mijn schouder schiet uit de kom. Kijk, dit is je schouder en je arm hangt daar aan vast met allemaal spieren. (De rest van de anatomie laat ik voor wat het is) En bij mij gaat mijn arm los van mijn schouder.’ ‘Ieeeeee!’ Roepen de meisjes. De jongen trekt zijn arm snel onder mijn hand vandaan. ‘Gatver! En plakt jouw mamma dan een pleister?’ ‘Nee, geen pleister. De dokter gaat mijn schouder oper.. gaat een pleister plakken op mijn schouder.’

‘Jij bent net een draak.’ Het jongetje met het hoogste woord, hangt inmiddels alweer ondersteboven in de iglo op het schoolplein. Ver buiten mijn bereik, zodat ik zijn arm niet ook als schiettuig kan gebruiken.  ‘Een vuurspuwende draak. Je hebt een rode trui en een rood hoofd.’ ‘Jij ook’ zeg ik. ‘Je hangt ondersteboven.’ ‘Wil jij ook? Het is heel leuk, want je ziet de wolken op hun kop langs rijden. Probeer het maar.’ Jongen staat weer met zijn benen op de grond. ‘Nee, dat durf ik niet.’ ‘Durf jij dat geeneens?’ Drie meisjes hangen giechelend ondersteboven om te laten zien dat het niet eng is. ‘Nee, dat durf ik niet. Ik durf ook niet in een achtbaan.’ ‘Echt wel!’ Roept het jongetje. ‘Ik ging in een drakenachtbaan en die spoot ook vuur en ik ging een looping maken en toen nog een keer op mijn kop, echt niets engs aan.’

‘Ik ging 1 keer in een achtbaan’ vertel ik verder. Met mijn kinderen. ‘En ik dacht echt dat ik doo.. door een brandende hoepel vloog en toen begon ik te huilen.’ Kleuterkinderen lachen hardop om zoveel dommigheid. ‘Een brandende hoepel in een achtbaan, die hebben we nog nooit gezien. Moest jij echt huilen?’ ‘Ja, ik kwam er huilend uit. En mijn kinderen schaamden zich heel erg voor mij.’ ‘Ik niet, ik kom echt nooit huilend uit een achtbaan, zelfs niet toen ik in die looping ging. Er was wel een eng spookhuis met skeletten enzo, die was wel een beetje eng, maar huilen doe ik niet hoor. Ook niet toen ik mijn arm brak, ik had wél echt gips, want ik viel van een podium tijdens het zingen en nu durf ik alles.’ De meisjes knikken. Ik twijfel geen moment aan zijn woorden.

‘Nog twee nachtjes slapen en dan zijn er lichtjes op school. Met limonade. Kom jij dan ook? Of ben je dan ook bang? Het is namelijk heel donker in school, maar wel gezellig, we krijgen limonade. Lust jij limonade?’ 1 meisje staat op. ‘Ik kom donderdag niet. Mijn moeder vind het namelijk maar stom, dus ik ga geen lichtjes kijken en  geen limonade drinken.’ ‘En ik ben nog nooit in een achtbaan geweest’ vertelt een meisje die rustig heeft geluisterd, maar nog niets heeft gezegd. ‘Mijn pappa en mamma hebben namelijk helemaal geen centjes om naar een achtbaan te gaan. Ik kom wel naar lichtjesavond.’ Alle kinderen zijn stil en proberen hier iets mee te doen. ‘Kom jij dan naar mij?’ Vraagt het jongetje die nergens bang voor is. ‘Dan krijg je van mij limonade op lichtjesavond.’ ‘En van mij krijgen jullie allemaal een koekje. Tot donderdag jongens.’


Bij mijn fiets draai ik me om. Het meisje hangt samen met de jongen ondersteboven in de iglo, het jongetje wijst de mooiste wolken aan. Net alsof ze samen in een achtbaan zitten. 



zondag 29 oktober 2017

Knoflookbrood.

Heerlijk. De kinderen zijn allemaal vanmiddag lekker thuis. Geen school meer, geen sport, geen vriendjes mee, gewoon lekker thuis. Met een boek en een kopje thee op de bank. Zo’n middag lag er in het verschiet toen ik vier stokbroodjes knoflookboter in de oven schoof.

Heerlijk. De kinderen die hun schooltassen zo snel mogelijk naar boven hadden gebracht en samen één of andere game op de W.ii aan het spelen waren. Honderduit kletsend over wat er allemaal op school was gebeurd.

Heerlijk. Een hele middag lekker lui lag er voor ons toen we alle vier onze tanden in een ovenvers broodje hapten. De knoflook droop van het brood op de borden. De kinderen waren stil krakend aan het genieten. Ik ook. Heerlijk, zo’n middag zonder verplichtingen dacht ik toen ik de laatste kruimels van mijn bord op mijn hand liet vallen en ik de laatste knoflookboter over mijn kin voelde druppelen.

'Hoe laat moest u vanmiddag naar die arts?' 'Niet, ik hoef vanmiddag lekker nergens meer heen.' 'Ja, u moet toch naar die ene arts voor uw schouder?' Ik werd groen en ik werd geel en vervolgens blauw omdat ik vergat te ademen. 'Arts? Verrek! Is dat vandaag?' Ademde ik uit en ik rook de knoflook. De knoflook van dat krakend verse brood. Arts. Verrek. Hoe in hemelsnaam krijg ik die geur weg? Die penetrante knoflookgeur? Arts, die hele leuke sympathieke spontane knappe arts.

Als altijd wierpen mijn F.acebook vrienden reddingsboeien mijn richting op. Peterselie kauwen! Opperde de 1. Maar ik heb helemaal geen peterselie! Of toch, in de vriezer staan potjes kruiden. Peterselie. Krakend op peterselie blokjes bedacht ik dat bevroren peterselie vast niet zou helpen.  Citroensap of een appel. Nu had ik na dat enorme stokbrood helemaal geen trek meer in een appel, maar toch kloof ik hem tot het klokhuis op. Hielp niets. Citroensap. Daadwerkelijk stond ik een citroen uit te knijpen, maar op het laatst besloot ik toch om die citroensap aan de planten te schenken. Een coltrui. Om aan te trekken, maar dan zou die arts vast denken dat ik onder de pukkels zou zitten, of mijn tanden  niet had gepoetst, of dat ik een stijve nek had.

De lolbroek onder mijn vrienden kwam met een mondkapje. Zo 1 die we al die Japanners zien dragen op het journaal. Met filter voor de verse lucht. Hm, dat is wel iets. Is de wacht rij in de wachtkamer ook in 1 keer opgelost als ik daar met coltrui en mondkapje plaatsneem. 'Jongens willen jullie even een bordje knutselen met de tekst: BESMETTELIJK!' Kinderen vonden me maar stom. 'U gaat niet in het echt met een mondkapje naar die dokter! We schamen ons rot.' Dat zij helemaal niet mee hoefden naar die arts was ze even ontschoten. Toen een andere F.acebook vriend bang was dat niet alleen de wachtende weg zouden rennen, maar ook de arts, besloot ik het mondkapje bij de schildersspullen te laten.

Wodka opperde mannelijke vriend. Uiteraard. Geen vrouw zou met zoiets op de proppen komen. Kiezen tussen twee kwaden. Stinkend naar de knoflook of zwalkend stinkend naar de wodka. Toch maar liever knoflook dan.

En de laatste tip: neem een stukje mee voor de dokter. Tsja, maar de broden waren al op en hij ziet me toch aankomen met een stuk knoflookbrood. 'Alstublieft; voor u!' En dan vriendelijk lachen met dichtgeknepen lippen. Ik vond het echt een bespottelijk idee, maar toch was dit precies wat ik uiteindelijk deed. Ik schoof alle kruimels van de borden bij elkaar, schoof ze in een plastic zakje en zo liep ik door de gangen van het ziekenhuis.


Nee!!! Uiteraard niet voor die arts. Wat denkt u nu helemaal? Dat ik van lotje getikt ben? 'Voor de eendjes! Dat is wat ik zei als mensen vreemd naar me keken. Knoflookbrood, voor de eendjes. Ruikt u het? Sorry, niet goed over nagedacht, maar ik kon het ook niet in de auto laten liggen, gaat zo stinken.'  

En de arts? Die had een noodoproep, ik kreeg een vervanger. Een norse oude man zonder voortanden. Van schrik heb ik het zakje met knoflookkruimels op de stoel in zijn behandelkamer laten liggen.


vrijdag 13 oktober 2017

Naar de stad.

Dochter wil heel graag samen met mamma naar de stad. Mamma niet. Mamma zit aan de heftige medicijnen en is zo suf als een egel in winterslaap. Dochter heeft echter wel gelijk als ze zegt dat er nooit tijd voor haar is en zo sleept een mamma zich in de auto om zich te laten rijden naar de stad. Mamma mag door die pilletjes niet zelf achter het stuur. Laten rijden. Dat dringt opeens door en mamma gaat eens rechter zitten in de auto. Met chauffeur. Wat een luxeleven.

In de stad huppelt mamma bijna van het ene restaurant naar het andere. Mamma heeft honger en wil luxe eten met dochter in een luxe restaurant. Vooral huppelt mamma, omdat ze bijna in haar broek plast. Vast ook door die pillen. Dochter heeft echter helemaal geen zin in luxe maaltijd. 'Er zit een goede patatbakker op een hoek mam, loop maar mee.' Mamma werpt een laatste blik in raam van restaurant. Heerlijke maaltijd staat daar op tafel bij echtpaar op leeftijd. Een entrecote met nasi. Vreemde combinatie, maar goed. Een tik op het raam met een gezegelringde vinger werpt mamma weer terug in de realiteit. Patatbakker op een hoek.

Eerst huppend de H.ema in. Dochter ziet popcorn met een smaak van tompouce. Ik heb echter nog maar 1 doel. Het toilet! Huppend hup ik de brede marmeren trappen op. Achter een zakenmijnheer aan. Zakenmijnheer stapt op de draai van de trap opzij om mij voor te laten gaan. Niet slim. Niet slim. Welke man gaat er nu achter (lees onder) een huppende vrouw lopen? Een vrouw die overduidelijk haar blaas niet onder controle heeft. Niet slim, niet slim, niet slim. Maar ik red het tot de toiletten. Om daar te stuiten tegen toiletjuffrouw. Toiletjuffrouw wil geld zien. Wil snel geld zien. Ik wil ook snel, maar kom niet langs mevrouw met bus toiletspray in haar hand. 50 cent, 50 cent. 'Ik moet ook mam!' Ships. 'Kan ik hier ook pinnen?' Toiletjuffrouw positioneert de spuitbus even beter. 'O! Wacht' zucht een zwetende ik, 'ik red het precies! Kijk wat goed.' Toiletjuffrouw is vast heel ernstig ongesteld, want er kan geen lach vanaf.

Waar we in hemelsnaam voor betaald hebben vraag ik me nu een dag later nog af. Het stinkt, het plakt, je kunt je handen alleen wassen door een kraan aan te raken, die je dan met pasgewassen handen weer dicht moet draaien. IEIIIIIIIIIIIII! Gatver, en we moeten nog eten bij de patatbakker op de hoek. 'Eerst je handen wassen, dan met doekjes de kraan dichtdraaien en daarna pas je handen afdrogen' doceer ik dochter die als een gedrilde officier keurig in de maat precies dat doe wat ik ook doe.

Patatbakker op de hoek. Meer is het ook niet. Wel bekroond volgens plakkaat. 'Meenemen of hier opeten?' Ik veer op. 'Hier opeten?' Ik ga op mijn tenen staan om achter in de zaak te kunnen kijken, maar daar staan geen stoelen. 'Hier opeten?' Stamel ik. 'Waar dan?' 'Hier.' Zegt de man. 'Dat lijkt me duidelijk. Hier opeten of meenemen?' Ik kijk nog eens om me heen en zie her en der plukjes patat etende mensen zitten en staan. Heel armoedig vind ik dat. 'Meenemen alstublieft. Twee porties zonder saus.'

'Meenemen?' Vraagt dochter? 'Waarheen dan meenemen?' 'Dat weet ik niet' sis ik terug. 'We verzinnen wel iets.' Iedere vezel in mijn lichaam verzet zich tegen in de openbaarheid eten. Altijd al een hekel aan gehad. Mensen die op straat eten, of in een winkelcentrum, of in de bioscoop, of in de rij bij het theater. Langs de lijn, in het zwembad. Bah!

Maar wie donderdagavond in de binnenstad van Alkmaar is geweest, heeft ons kunnen zien zitten. Midden op een verhoging op straat. Allebei zittend op onze rugtas. Met een patatzakje op schoot. Eten en voorbijgangers bekijken. We waren een bezienswaardigheid zoals we daar zaten. Naast de bloemenschuit en de waagtoren prijken dochter en ik nu in een Japans fotoalbum. Zwervers. Luidt het onderschrift vast. Zwervers met een patatje zonder van de patatbakker op de hoek. Bekroond.

Als laatste, als dochter al een hele nieuwe garderobe heeft geshopt, het is maar goed dat mamma niet zo helder is, gaan we naar mijn winkel. 'Kunt u ook eens iets leuks kopen.' Kunt u ook eens iets leuks kopen? Zegt ze dit nu werkelijk hardop? Ik kan het niet vragen, want dochter schuift al geroutineerd truien, vesten en jurken opzij. 'Dit is wel leuk, en dit en dit, deze kleur maakt u oud en met die is het net of u nog met de jeugd mee wil doen.' Met de jeugd mee wil doen? Net alsof? 'Ik ben de jeugd! Ik ben echt absoluut de jeugd van de toekomst!' Dochter geeft een stapel kleding aan en laat zich in een stoel zakken.


Daar sta ik dan en wordt geconfronteerd met een enorme ik. Echt een enorme ik zoals je ze alleen in sprookjes ziet. Met armen als trams en twee heupen als bijzettafels. Of tafeltjes. Bijzettafeltjes. Het valt wel mee. Het valt echt wel mee. Ligt aan de inval van het licht en aan die rare spiegels. Ik stap uit het pashokje en bots tegen een andere passende vrouw. Een akelig slanke passende vrouw. Ze draagt een heel mooi kort rokje. Van leer!!! In een hippe modekleur en draait en draait voor de spiegel. Ik trek automatisch mijn billen in en hou mijn adem vast. Als ik loslaat, vul ik de hele spiegel en verdwijnt akelig slanke vrouw. Haar posh echtgenoot kijkt triomfantelijk toe. Zelfs dochter, mijn dochter, zie ik vanuit haar stoel goedkeurend knikken. Heb ik er geen enorm dikke billen in'?' kraait veel te slanke vrouw. Ik adem uit. 

maandag 9 oktober 2017

Taboe. Dag van de Geestelijke gezondheidszorg.

Een taboe in een land als Nederland. Waar alles vrij bespreekbaar is, van sexuele geaardheid tot 50 tinten grijs. Alles, wordt besproken met een kopje koffie en een glas wijn op een zonovergoten terras. Hoe vervelend een ingegroeide teennagel is;  in de rij bij de kassa. De kanker van de buurman; langs de lijn bij de voetbal.  Dat je zoon blijft zitten, omdat hij verslaafd is aan zijn pc; onder de kap bij de kapper. Alles is bespreekbaar in Nederland.

Behalve de duistere krachten die van binnenuit willen breken. Die zich iedere dag een weg naar buiten willen banen door je hoofd, je buik, je rug, je armen, je benen. Hoeveel kilometers je ook loopt, hoeveel valeriaan je ook slikt, kamillethee je drinkt. Ze gaan niet weg. Ze moeten er uit. Er uit. Er uit. Er uit! En niemand die het weet.

Want over druk van binnenuit praat je niet. Falen. Ik faal, ik heb gefaald, ik ben aan het falen, ik ga falen.  Zo voelt het als je de hele wereld niet meer aankan. Je wilt geen hulp van andere mensen, niemand tot last zijn. Je kent je eigen lichaam niet meer, herkent je eigen brein niet meer. Ze spelen een spelletje en hebben de spelregels niet uitgelegd. De druk van binnenuit, van binnenuit, van binnenuit is enorm. Waar zijn toch mijn schoenen?

Je wilt weg. Weg,weg! maar waar naartoe? Naar buiten, en  weer naar binnen. Je wilt gaan lopen, op de bank. Je wilt gaan fietsen, in je bed. Je wilt boodschappen gaan doen, in de douche. En maar lachen, het gaat goed. Ja, vervelend van je teen, van je zoon, van je opa, van je auto, van je huis, van de storm. Vervelend ja. Wat vertellen ze in hemelsnaam? De druk, de druk  de druk die moet er uit.

De nieuwe gymschoenen van je zoon, het vlees voor de lasagne, het tien minuten gesprek van dochter, de diploma uitreiking van andere zoon. Vergeten. Allemaal vergeten.  En weer een arts. Voor wie belt u eigenlijk? O, de uitslagen. Juist ja. Voor welk kind? Was ik daarbij? Echt waar? Ik geloof dat ik gek word. Knettergek word ik. Heb de regie niet meer. Ik. Die de regie niet heb. Help! Wie geeft me mijn brein terug? Wat je vindt mag je houden, maar niet mijn geliefde brein. Ik zal zuiniger op je zijn. Je niet meer verliezen. Ik beloof het, maar kom alsjeblieft terug! Ik wil naar buiten, ik moet naar buiten! Ik word gek, knettergek van de druk van binnenuit.

En dan is daar die arts, die belt en te horen krijgt: Ik kan niet meer. Ik kan niet meer. Hardop. Ik zeg het heel hard hardop. Ik kan niet meer! Ik ben moe, doodmoe, ik overzie de afspraken rond de jongens niet meer, de afspraken voor mijn schouder, het gevecht met mijn manager, het lappen van de ramen. Ik kan niet meer. Ik kan niet meer!


Hardop. Dat lucht op. Gewoon met een kop koffie op het terras, zaterdag langs de lijn, maandag op je werk en dinsdag op het schoolplein. Ik kan niet meer! Heeft niets met falen te maken,maar met moed en lef en durf en alles wat maar kracht uitstraalt. Ik kan niet meer! En het geeft helemaal niets! Want we zijn er om te helpen en om geholpen te worden. Het moet er uit! Zoek Hulp!

zondag 1 oktober 2017

Sinterklaas en de boskabouters

Wat heeft Sinterklaas nu met boskabouters te maken? Alles! Echt alles! Onze jongste zoon gelooft heilig in het goede werk van de Goedheiligman. En dan niet zijn daden ergens ver in de verleden tijd, maar het goede werk dat de beste man zo rond het einde van het jaar uitvoert. Cadeautjes kopen voor alle kinderen die een verlanglijstje inleveren! Wauw. Je schrijft/knutselt of plakt een verlanglijstje en de Goedheiligman gaat direct voor jou shoppen. Toch anders dan die saaie pappa en mamma die het hele jaar verkondigen: ‘geen geld, het geld groeit me niet op de rug, zie jij een geldboom staan? We sparen voor je studie’ of nog erger: ‘we sparen voor je hypotheek!’

Kind wil niet studeren en gaat later de wereldzeeën bevaren op een houtvlot. Gebouwd van die omgehakte geldboom. Wilde jaar na jaar toch niets aan groeien. Hypotheek! Zo ontzettend anno 2005! Kind wil transformers en een nieuwe nerf en lego en een bal. Een voetbal. Van Lionel Messi. Dat is namelijk de beste. Kind wil geen nieuwe sokken, geen nieuwe jas en al helemaal geen nieuwe pyjama. Sinterklaas snapt dat. En Sinterklaas koopt alles. Echt alles! Komt niet met 1 boot, maar wel met honderd boten. Passen alleen niet op televisie. Is de uitzending te kort voor. Maar zoon weet zeker na het zien van Sail Den Helder: al die Spaanse boten komen alvast pakjes brengen. Liggen in al die enorme pakhuizen.

Ik kan het zoon niet kwalijk nemen. Wij hebben Sinterklaas gecreëerd. En aan wat je zelf hebt gemaakt twijfel je geen moment. Je eigen appeltaart ben je ook altijd trots op. Ook al is hij aangebrand en is hij niet te eten. Werkt hetzelfde met kinderen. Ook je eigen creatie. En die vind je het aller aller mooiste van de hele wereld. En ze zijn altijd superslim en superschattig en superbehulpzaam en super super super geweldig. Echte kanjers die kinderen. Veel ouders hebben naar mijn bescheiden mening een nieuwe bril nodig. Maar wie ben ik. Heb Sinterklaas namelijk geplant in het hoofd van zoon. Hij heeft een pappa, een mamma en aan het einde van het jaar komt Sinterklaas daar bij. Met cadeautjes!!

Nu staan we op het punt dat we hem eigenlijk maar moeten gaan vertellen dat we hem al 10 jaar volledig voor de gek houden. Sinterklaas bestaat niet. Is gewoon pappa en mamma in 1. Hoe hip is dat? Genderneutraal. Geen pappa, geen mamma. Sinterklaas is ze gewoon allebei! En dan loop ik door het bos en dwaalt mijn blik af naar de knoesten in het hout, de barsten in de schors, ga ik languit in het mos liggen om te turen naar deurtjes in een paddenstoel. Luister ik met open oren naar het geritsel om me heen. Stap ik regelmatig voorzichtig van het pad en tuur dan voor me uit. En zie en zie wat u met zijn allen niet wilt zien.


Wat doe jij nu in hemelsnaam? Je jas is vies, er hangen dennennaalden in je haar en je knieën zijn zwart van de prut op het pad.’ ‘Ik zoek kabouters. ‘’Kabouters? ‘’Ja, kabouters in het bos. Dat zijn de liefste. Ze helpen zieke dieren, wonen in bomen en in paddenstoelhuisjes en doen vooral geen vlieg kwaad. Heel anders dan de bosnimfen. Daar moet je voor waken. Gemene valse krengen zijn het.’ ‘Spoor jij wel helemaal? 41 jaar en op zoek naar kabouters?’’Nee! Geen gewone, die zie ik genoeg. Boskabouters! Ik ben op zoek naar boskabouters voor een portie geluk en gezondheid. Meer wens ik niet. Geluk en gezondheid. O ja, en het Noorderlicht.’ Ik wens geluk en gezondheid en mijn zoon wenst een Ninjago draak. Het is ons om het even wie dat door de schoorsteen laat zakken. Ik geloof in kabouters, zoon in Sinterklaas en ouders in hun superkinderen. 


maandag 18 september 2017

Rune gaat vliegen.

Al vanaf het moment dat Rune een heel klein mannetje was, wil hij kunnen vliegen. Zo troffen pappa en mamma hem al eens aan in het raamkozijn van zijn kamer. Zijn kamer op de tweede verdieping. Pappa vloog naar binnen om het zonnescherm uit te laten rollen, zodat er een zachte landing gemaakt kon worden en mamma rende met 5 treden tegelijk twee trappen op. Om kleine Rune nog net in zijn kraag te kunnen vatten. Anderhalf jaar en overtuigd van zijn vliegkwaliteiten.

‘Vlieg vogel vlieg.’ ‘Ja, Rune, maar een vogel weegt maar 100 gram, jij wel 15 kilo.’ De drang van Rune om te kunnen vliegen bleef. Er kwamen sloten op de ramen, sloten op de deuren en zelfs op vakantie stond pappa extra sloten op ramen te schroeven terwijl mamma de auto uitpakte. Er zullen heel wat vakantieverhuurbedrijven zich hebben verwonderd over de extra sloten. Mochten ze namelijk na afloop van onze vakantie gratis en voor niets houden van pappa en mamma. Om andere rondvliegende kinderen tegen te houden.

Rune werd groter en zwaarder en slimmer. Wist natuurlijk dat een vogel kon vliegen, maar een mens niet. Toch? Op het moment dat Rune 450 kilo woog, (45.0) besloot hij dat als een Boeing 747 in de lucht kan blijven hangen, hij dat ook zou kunnen. En dus klom hij wederom twee trappen op. Het raam kreeg hij niet open, extra slot zit er nog steeds op en een zonnescherm als landingsbaan is ook niet echt stoer te noemen. Rune ging aan de buitenzijde van de trapleuning hangen. Aan het plafond van de eerste verdieping. Zijn vingertoppen hielden de vloer van de tweede vast en daar bungelde hij. Hoog boven de grond. Zo vrij als een vogeltje….

Mamma zat ondertussen op het toilet. Met de deur open. Geloof me mensen, dat doet mamma anders NOOIT!! Maar deze keer dus wel en zo zag ze opeens een wasmand met kleding uit de lucht komen vallen. Een wasmand met kleding met het verbaasde gezicht van Rune. Wasmand was geen wasmand maar vliegende zoon. Mamma sprong op van het toilet, al plassend dus, besefte dondersgoed dat dit helemaal een vreemde actie was, rende al plassende weer terug naar het toilet en brulde de hele wereld bij elkaar. ‘Er is er 1 van de trap gevallen! Er is er 1 van de trap gevallen!’ Pappa, Julia en Nisse kwamen uit 3 verschillende deuren gestormd.

Maar een gevallen Rune vonden ze ook niet. Tot iemand opmerkte dat de douche aanstond. Daar stond een hevig geschrokken Rune. Huilend van de pijn met zijn kleren onder een koude douche. ‘Wat doe jij nu weer?’Julia en Nisse schaterden het uit van hun broertje die met alle kleding en schoenen nog aan onder het stromende water stond. ‘Als ik mijn vinger klem heb gehad, moet ik van mamma onder de kraan en nu doet mijn hele lichaam zééééér!’ Logisch. Zéér, zeer logisch. Nadat broer en zus waren weggestuurd, konden pappa en mamma Rune stukje bij beetje ontkleden.

Bont en blauw. Mannetje is bont en blauw. Van boven naar beneden het trapgat in storten is niet geheel zonder gevaar. Vooral als de trap zoals bij ons thuis een draai maakt onderaan. De onderste vijf traptreden staan voorlopig in zijn huid. 1 op zijn linkerbil, 1 op zijn rechterbil, 1 op zijn heup, 1 op zijn rug en 1 op zijn schouder. Mamma maakte zich vooral bezorgd over het landingsgestel van neergestorte zoon. Maar die had geen schade. Of toch wel. De volgende dag begon Rune te hinken en dat doet hij nu nog steeds. Mooi blauw ei op zijn voet.

‘Dit laat je nu voorlopig wel uit je hoofd mag ik hopen.’ ‘Ja, deze vlucht ging niet helemaal goed, maar het moet toch mogelijk zijn om te vliegen. De volgende keer gaat het vast beter. Oefening baart kunst.’

Diepe. Diepe zucht

zondag 27 augustus 2017

Hoofdstuk 2. Ontmoeting.

Het is warm. Zo warm dat het ijs smelt voor het uit de vriezer is. Zo warm, dat de muggen niet eens willen vliegen. Zo warm dat je niet eens hoeft te douchen om nat te worden. Niet dat er gedoucht kan worden, want dat is het nieuwe klusproject van pappa. De douche. Na het voorval met de douchestang heeft er een paar weken een gapend gat gezeten in de buitenmuur. Niet dat het pappa veel kon schelen, maar mamma wel. Ze ging pas douchen, als er zowel aan de binnenzijde als aan de buitenzijde een handdoek voor het gat gehangen werd. Pappa geloofde het wel. Alle tijd, we hebben alle tijd voor de winter invalt. Maar toen pappa ’s ochtends rustig de krant zat te lezen op het toilet en van buitenaf nat werd gespoten met waterpistooltjes was ook bij pappa de maat vol. ‘Oké, oké. We gaan de douche verbouwen.’

Rune en Nisse zitten in de tuin en kijken naar Julia die in haar badpak rondjes om ze loopt. ‘Kom nou mee zwemmen, het water is hartstikke lekker. Kom nou!’ ‘Dag! Er zwemmen vissen en er woont een eend. Niet zo maar een eend, maar een mega eend en iedere keer als wij aankomen, komt hij op ons afgewaggeld. Pikt dat beest in mijn voeten. Dank je de koekoek. Ik ga daar niet meer zwemmen.’ ‘Maar het is zo warm, ik hou de eend wel in de gaten.’

Op dat moment komen de nieuwe buurkinderen hun huis uit, ze lopen de tuin in en kijken even naar het blauwe huis. Als ze Rune, Julia en Nisse zien, kijken ze snel de andere kant op. Julia zwaait vrolijk en roept: ‘gaan jullie ook zwemmen? Het water is heerlijk. Kunnen jullie zwemmen?’ De nieuwe kinderen draaien zich weer om en knikken. ‘Ja, we kunnen zwemmen. Waar kan dat?’ ‘Hier vlakbij, aan de andere kant van het spoor, daar loop je het bos in en daar is het mooiste zwemplekje in de omgeving. Met een picknickbank.’’En een valse eend.’Roept Nisse. ‘Een valse wat?’’Eend!’ ‘Valt wel mee hoor, maar hij denkt altijd dat je eten mee hebt en dan pikt hij je. Gaan jullie mee?’ De buurkinderen draaien zich om en lopen zonder verder iets te zeggen hun huis weer binnen. Julia haalt haar schouders op. ‘Dan niet. Dan ga ik wel alleen.’’Dat mag niet van pappa en mamma. Ook hier lopen misschien wel vreemde vogels in het bos.’’Klopt.’Zegt Julia. ‘Een vreemde eend.’

Als Julia net de bocht om is en Rune en Nisse niet zo goed weten wat ze moeten doen, komen de nieuwe buurkinderen weer naar buiten. Met zwemkleding, slippers, handdoeken en twee enorme opgeblazen banden. ‘Waar is dat meisje? En waar zijn jullie zwemspullen?’ Rune en Nisse springen uit hun stoel en rennen naar binnen. ‘Wacht heel even!’Roept Rune naar de kinderen. Snel pakken ze hun zwemkleding en rennen weer naar buiten. ‘Kom, we gaan via de korte route.’Rune en Nisse rennen naar het veld van Tobbe. De nieuwe kinderen rennen achter ze aan.

Net over het spoor zien ze Julia lopen. Met ferme stappen loopt ze richting de bosrand. ‘Julia! Wacht op ons, we komen er aan.’ Julia staat stil en kijkt achterom. Ze ziet haar broers aan komen rennen met hun handen vol zwemspullen. Daarachter lopen de nieuwe kinderen. Ze slepen twee enorme banden mee en hebben een rood hoofd van inspanning. ‘Gezellig. Het gaat heel gezellig worden.’


Bij het meer zitten de kinderen alle 5 op de picknickbank. ‘Wat bedoelden jullie met: nee, niet weer  buitenlanders? Hebben jullie een hekel aan donkere mensen?’ Nisse wordt rood. ‘Nee, nee. Helemaal niet. Ik zag jullie kleur niet eens echt, maar de huizen in onze straat worden allemaal verkocht aan buitenlanders. De beide huizen naast jullie zijn verkocht aan Duitse families, aan de andere kant van Tobbes veld woont een Kunstenares uit Italië en aan de andere kant van het spoor wonen een man en een vrouw uit Rusland. Nou ja, ze wonen er nooit, maar ze hebben het huis gekocht. Alle huizen gaan naar Buitenlandse mensen die het enig vinden om een vakantie huisje te hebben in Zweden. En dan komen ze misschien 3 weken in het jaar langs. Verder staat alles het hele jaar leeg. Ik dacht dat jullie ook vakantiegangers waren die dan over een paar weken weer weg zouden gaan. Sorry.’ ‘Oké. Ik ben trouwens Siem en dit is mijn zusje Sarah.’ Terwijl de eend van een afstandje toekijkt, stellen de kinderen zich aan elkaar voor. ‘Welkom in Tallekullen.’Zegt Nisse plechtig als oudste van het stel. En dan is het tijd om in het water te springen. Misschien gaan we deze vakantie toch nog wat beleven.

zaterdag 26 augustus 2017

Hoofdstuk 1. Nieuwe buren.

Rune Julia en Nisse hebben vakantie. Grote vakantie en ze gaan nergens naartoe. Pappa en mamma gaan namelijk verbouwen. Anders komen ze de winter niet door. Het huis dat ze gekocht hebben is oud. Vreselijk oud. Er zitten kieren in vloer en gaten in het dak. Dan hebben we nog antiek behang, een plastic vloer met dito muren in de badkamer en een keukenkraan die met liefde behandeld wilt worden. Als je iets te hard draait, heb je de hele kraan in je handen, met een gedeelte van het keukenblad. ‘De maat is vol!,  Riep pappa mopperend op een ochtend vlak voor de vakantie terwijl hij met een hoofd vol schuim uit de badkamer kwam gelopen, over zijn schouders hing het gordijn. De douchestang en een gedeelte van de buitenmuur sleepte achter hem aan, mamma sloeg van schrik haar handen voor haar mond, de kinderen moesten lachen om de druipende, mopperende pappa. Heel hard lachen.

Maar nu vervelen ze zich. In het dorp wonen wel andere kinderen, maar die zijn allemaal weg. Het gerucht gaat dat er in het leegstaande huis van de familie Jacobsson wel nieuwe mensen komen wonen. Ergens in deze vakantie, maar niemand weet wanneer. Waarschijnlijk is het zo’n gerucht als er nu eenmaal geruchten zijn in een dorp. Iemand hoort iets van een ander die iets gezien heeft wat een ander gedaan heeft. ‘Niets van waar’ bromt pappa dan altijd. ‘Wat zeg je?’ Vragen de buren dan. ‘Ik zei: O ja?!’liegt pappa dan terug met een knipoog naar de kinderen.  Pappa liegt nooit zegt hij, ‘ik verdraai alleen de waarheid soms een beetje.’

Nisse komt net naar buiten met drie sandwich ijsjes als er een verhuisauto het weggetje in draait waar hun huis staat. Hij gooit een ijsje naar zijn broer, 1 naar zijn zus en gaat naast ze zitten. Hun voeten bungelen over de rand. ‘Het ziet er inderdaad naar uit dat we nieuwe buren krijgen. Ben benieuwd of er ook kinderen zijn.’

De verhuisauto rijdt helemaal naar het einde van de straat en stopt dan precies voor de deur van het huis van Jacobsson. Er stapt 1 grote kale man uit. ‘Hallo.’zegt hij, ‘mooi weer vandaag.’ Volwassenen kunnen nooit iets anders zeggen dan: mooi weer vandaag, wat een weer vandaag, het regent weer eens vandaag, gaat de zon nu ook schijnen vandaag? Rune knikt. ‘Ja, meneer. Mooi weer vandaag.’De man kijkt naar de kinderen en loopt dan naar de achterzijde van de auto om de deuren open te doen.

Rune, Julia en Nisse draaien hun lichaam zo ver als ze kunnen zonder van de veranda af te vallen. ‘Zie jij kinderspeelgoed?’ ‘Ik zie wel een kinderfiets.’ ‘Welke kleur?’ ‘Roze.’ ‘Bummer.’ Zegt Nisse. ‘En een groene! Ik zie ook een groene!’ ‘Mooi. Eindelijk ook een jongen in de straat.’ ‘He! Ik woon hier toch ook!’ Zegt Rune verontwaardigd. ‘Jij bent geen jongen, jij bent mijn broertje.’ Rune geeft zijn grote broer een por en wil snel van de veranda afspringen als er nog een auto de straat in rijdt. Ze houden hun adem in. Dat zullen ze zijn. Daar zitten ze in.

Uit de auto stapt een man. Een donkere man. En aan de andere kant stapt een vrouw uit. Een donkere vrouw. ‘Het zijn buitenlanders, het zijn helemaal geen Zweden, we krijgen weer buitenlanders in de buurt, alle huizen worden verkocht aan buitenlanders, zodat we hier in de winter helemaal alleen zitten.’ ‘Nee hoor, zegt de vrouw, we zijn geen buitenlanders. We hebben alleen een kleurtje. Siem en Sarah, komen jullie kennis maken met de buurkinderen?’


Nisse heeft een kleur op zijn gezicht als hij op de buren afloopt. ‘Sorry, ik bedoelde er niets mee, maar in alle huizen in deze straat wonen alleen vakantiemensen.’  Op het moment dat de nieuwe buurvrouw hem een hand geeft, horen ze pappa schreeuwen. ‘De trap! Mens in hemelsnaam, houdt de trap vast!’Gevolgd door een oerkreet, een paar scheldwoorden en een schaterende lach van mamma. Mamma komt naar buiten gerend. ‘Jullie zouden nu eigenlijk jullie vader eens moeten zie…. O hallo, ik ben Anna’ Ze schudt de buurman de hand die verbijsterd naar mamma kijkt en dan naar zijn hand waar een klodder behangplaksel vanaf glijdt. En dan bent u de nieuwe buurvrouw, ik ben dus Anna. Ook de nieuwe buurvrouw ontkomt niet aan de schuddende hand van mamma. En ook bij de buurvrouw plakt een klodder behangsel aan haar hand. Net als Rune, Julia en Nisse denken dat de eerste kennismaking niet slechter kan, komt pappa scheldend naar buiten lopen. Over hem hangt een hele baan behang. De klonten lijm plakken op zijn gezicht en zijn bril hangt scheef over zijn oren. ‘Nou, en dit is dus onze vader.’ Rune wijst naar zijn vader en loopt met hangende schouders naar binnen.  ‘Je kunt nooit meer een eerste indruk maken.’


zondag 18 juni 2017

Kinderfeestje.

https://wordpress.com/read/feeds/12490070/posts/1498903024

Uit het niets komt de opmerking: ‘ik wil dit jaar ook een kinderfeestje vieren’. Nadat mijn oren uitgeklapperd zijn, ga ik lijstjes maken met namen van kinderen die we uit gaan nodigen. Zoon kijkt naar mijn lijstje, pakt zelf een pen en maakt een nieuw lijstje. 2 namen. 2 jongens en dat is het. Mijn lijstje en zijn lijstje. Wereld van verschil. ‘Ja maar’,… begin ik. ‘Nee!’ Zegt zoon. ‘Ik word toch ook nooit uitgenodigd’! Brok in mijn keel, tranen in zijn en mijn ogen. Mijn lijstje beland in de oud papier bak. ‘Vertel, wat gaan we doen?’

Zoon vertelt en vertelt, maakt plannen voor wel 6 partijtjes; voor 1 feest. 1 middag. Klok wordt iedere keer aangepast. Ik ga in zijn enthousiasme mee. Want: zoon wil een partijtje vieren! Nog iets wat hij nooit heeft gewild, wij hebben nooit vragen gesteld. Zoon wordt iedere stap een stuk drukker. Van zaterdag op zondag, van zondag op maandag.’Ik ga niet naar school!’ Hoofdpijn, buikpijn, natgeplast bed, schoppen tegen mamma’s benen. ’s Middags uit school alleen maar slapen, slapen, slapen.

Dit gaat niet goed, ergens gaat er iets niet goed. Maar wat precies? Ik heb geen idee, we maken plannen voor een feestje, iets wat hij zelf wil en hij wordt alleen maar onrustiger en drukker. Dus storm ik maar weer eens bij de beide IB- leerkrachten het kantoor binnen. Ik praat en praat en terwijl ik dat doe word ik al onrustig in mijn hoofd van alle plannen en van alle drukte. Precies dat scheelt er dus ook volgens de beide IB-ers. Te veel. Veel te veel. 1 activiteit. Meer niet. Laten we het vooral overzichtelijk houden. We gaan maar 1 van de activiteiten doen die zoon heeft bedacht.

Thuis pak ik een vel papier, teken tijdsblokken van een half uur en laat hem een activiteit kiezen uit zijn lijst. Slechts 1. En we gaan arceren. Uit school, eerst lunchen met lekkere broodjes, aardbeien, limonade. Dan gewoon thuis spelen, naar de trampolinezaal, daarna patatjes halen en vriendje 1 thuis brengen, die heeft nog een andere verplichting. Dan is er nog even tijd om met vriendje twee thuis te spelen. Op de trampoline, in het zwembad. Zoon is boos, maar begrijpt kijkende naar schema dat genoeg ook wel genoeg is.

Woensdagochtend, D-Day. DE DAG. Ik tref jongste zoon aan op de bank. Hij houdt zijn hoofd stevig vast met beide handen. ‘Mamma, de druk op mijn hoofd is immens, het doet zo’n pijn!’ Zoon kiest er voor om wel gewoon naar school te gaan, geniet van het idee dat als de jongens en hij uit school komen, de tuin versierd is, de tafel gedekt. Gaat met de fiets, want dan is hij eerder thuis en kan hij de deur openmaken. Ruimt een kast leeg voor de rust in zijn hoofd. Kwart voor 12, de school is uit, zoon springt op de fiets, klapt net zo hard weer ondersteboven. Te hulp schietende ouders worden weggewuifd, ‘ik mankeer niets, ik geef mijn feestje’ en zoon fiets schoolplein af met bloedende knie. Juf vertelt dat hij de hele ochtend gespannen was, zijn been heeft geen seconde stilgestaan. Hele ochtend wiebelen en trillen.

De jongens hebben een gezellige middag, staan zowel thuis als op de baan te springen alsof ze stuntspringers zijn, drinken kannen limonade leeg, hebben enorm veel plezier met elkaar en spelen zoals ze eigenlijk altijd samen spelen. Maar nu met slingers in de tuin. Ze genieten en zoon ook, heeft een duidelijk idee wanneer ze de cadeautjes mogen geven en is verrast als blijkt dat hij krijgt wat hij zo graag wil. Daar zijn echte vrienden voor.

’s Avonds is hij kapot. Niets was wat hij er van verwacht had, het was te druk en te spannend. Huilend loopt hij door het huis. Buikpijn en hoofdpijn en mamma mag niet in de buurt komen. Het is namelijk allemaal mamma’s schuld. ‘1 activiteit hebben we maar gedaan! Dus we zijn tweeënhalf uur thuis geweest, en maar anderhalf uur weg. Daarna nog anderhalf uur thuis met overgebleven vriendje. Dat is toch geen feestje? Een feestje betekend de hele middag weg.’ Hij gaat huilend naar boven en kruipt in zijn bed. Ook daar mag mamma hem niet troosten. Hij valt huilend in slaap. En kan de volgende dag ook die ene ochtend niet naar school. Voor 8 uur heb ik hem op mijn werk al 6 keer aan de telefoon gehad. Ruzie met zijn vader, want volgens pappa is een regel een regel en school is school. We spreken af dat ze de juf bellen en de situatie met haar bespreken.

Als ik uit mijn werk kom, ligt hij verstopt onder de tafel. Een teken dat de wereld te groot is. Ze hebben een goede beslissing genomen. Juf, pappa en zoon. Een extra ochtend thuis.
Hele dagen gaat het goed en heb je alle vertrouwen in zijn ontwikkeling, maar als je dan ziet wat een klap het geven van een feestje geeft, dan verlies je dat vertrouwen weer. Hebben we hier iets van geleerd? Ja. Ik moet als moeder beter gaan kaderen. De situaties overzichtelijker maken voor hem. Zoon moet leren dat je iets heel mooi in je hoofd kan kleuren, maar dat het leven weerbarstig is.

Laten we echter vooral niet vergeten dat je geen enkele berg kunt bedwingen door thuis te blijven zitten. Iedere beklimming begint bij een eerste stap!
Oorspronkelijk gepubliceerd op: Bamestra wordpress

donderdag 18 mei 2017

Glas.

Een keer andersom. Mijn nieuwe blog komt op bezoek bij mijn oude blog.

https://bamestra.wordpress.com

vrijdag 14 april 2017

Goede Vrijdag

Tijdens de paasviering bleek dat je geduld moet hebben om te kunnen groeien.  In dit geval wilden de plantjes in de tuin van mevrouw Pad niet snel genoeg groeien. Niet snel genoeg in ieder geval naar de zin van mevrouw Pad. Of kikker, ik keek meer naar de gezichtsuitdrukkingen van de hoofdrolspelers en het effect daarvan op de kinderen, dat ik dus niet helemaal heb opgeslagen wie nu mevrouw Pad en wie nu mevrouw kikker was. Mevrouw Pad had geen geduld. Stampvoetend op haar grote flippers banjerde ze over het podium. Water moesten de plantjes hebben en zonlicht en liedjes en versjes. Interactie met de kinderen was geweldig. Mevrouw Pad verzon liedjes aan de hand van geroepen steekwoorden uit het publiek, creëerde versjes samen met de kinderen, maar hoe de groep hun best ook deed, de plantjes wilden niet groeien.

‘Prut!’ Riep een klein enthousiast meisje vanaf haar plekje in de zaal. Zittend op het puntje van haar stoel in een schemergebied van: zal ik zitten of toch staan, aanschouwde ze de avonturen van kikker en Pad. ‘Prut inderdaad’ riep mevrouw Pad terug. ‘Nee!’ Riep het meisje. ‘Ik bedoel prut! De plantjes hebben prut nodig!’ ‘Modder bedoelt ze’ hielp een jongetje. ‘Nee!’ Riep een stoere vent uit groep 3. ‘Ze hebben mest nodig. Pure koeienmest!’ Meisje ging weer zitten. Trok haar jurk over haar knieën en knikte. Dat! Precies dat bedoelde ze! Gewone pure koeienstront over de plantjes op het podium.

Heeft u ooit een toneelstuk in 4D bijgewoond? Op dat moment was ik heel blij dat ik helemaal achteraan in de zaal stond. Ze zullen toch niet echt naar de kinderen luisteren? Verse koeienstront over de plantjes, ik draaide een kwartslag naar de nooduitgang, 1 hendel omlaag duwen en verse lucht zou mijn neusgaten prikkelen. Mevrouw Pad had gelukkig geen mest en ook geen extra prut. Ze liep teleurgesteld nog een rondje stampvoetend over het podium en keek met een schuin jaloers oog naar de prachtige bloemenzee in de tuin van mevrouw kikker. Geduld is een schone zaak orakelde mevrouw kikker en wees op de ondergaande zon. Mevrouw Pad vond het welletjes en ging net als de zon slapen. Morgen weer een nieuwe dag.

En in de nacht gebeurde er iets wonderlijks. De plantjes gingen groeien en groeien en groeiden zo over het podium doek heen. De kinderen slaakten diepe zuchten, zo iets wonderlijks, hoe kan dat nu toch? ‘Er hangt gewoon een draadje met plakband. Kijk maar goed,’ fluisterde een meisje uit groep 4 net iets te hard in mijn oor. De tulpen stonden prachtig in bloei op het podium. Hangend aan draadjes of pure magie?


Geduld is een schone zaak en soms heel hard werken. Fijne paasdagen allemaal!

vrijdag 10 februari 2017

Strakblauwe lucht met her en der donderwolken.

Men zegt wel eens dat niets zo veranderlijk is als het weer. Nu volg ik werkelijk nooit het weerbericht, waarschijnlijk juist omdat het zo veranderlijk is, maar deze stelling gaat op dit moment ook op voor mijn gemoedstoestand. De hele week liep ik over wolken, met sprongetjes van de ene wolk naar de andere. Zoon bleef de hele week op school. Twee keer pakte hij zijn tablet en vertrok naar een apart kamertje waar hij in alle rust aan het werk kon. Gedurende de week werd er gespeeld en bleef hij rustig.  Kan het zo zijn dat het idee dat hij een plekje heeft om naar toe te gaan als de onrust in zijn lichaam te hoog oploopt voldoende is om hem daadwerkelijk rustig op school te houden? Zou het echt zo simpel zijn? Vrijdagmiddag half vier zweefde ik de school uit, zo trots op zoon, zo ontzettend trots.
Dat vertelde ik hem ook iedere dag. Opnieuw en opnieuw en opnieuw. ‘Wat ontzettend goed dat je gewoon op school blijft, dat je het iedere dag volhoudt, dat je de rust hebt gevonden.’
Vrijdagmiddag kwart voor 5, zoon ging op de bank liggen. Onder zijn dekbed en alle spanningen van de hele week kwamen er uit. Gillen, brullen, huilen, tot 3 uur ’s nachts. Zijn hele lichaam totaal verkrampt. Ieder moment dat hij even rustig werd, hoopte ik dat het over was, maar nee. De aanblik van een knipperende lamp, een geluid van wegfietsende kinderen, het dichtslaan van een autoportier, het rondcirkelen van een politiehelikopter, de stemmen van zijn broer en zus, het voelen van een verkeerde stof en daar ging hij weer. Van pure vermoeidheid viel hij om drie uur ’s nachts in slaap. Verkrampt met diepe rode kringen onder zijn ogen. Zijn vader lag inmiddels beneden op de bank. Ik moest om 5 uur mijn bed weer uit om naar mijn werk te gaan. Daar lag hij. Naast mij in bed, ontspannen. Zijn vuisten lagen open op het dekbed en ik liet hem daar liggen.
‘s Middags was hij nog steeds niet zijn eigen ik. Lag verstopt onder een dekbed op de bank, met koptelefoon filmpjes te kijken op zijn tablet. Pas later op de dag was hij weer 1 van ons. Maakten we contact. 1 week school. 1 week school. Wat heb ik hem in hemelsnaam aangedaan? Ik ben zijn moeder, ik had moeten zien dat het niet ging. Ik had zijn ogen moeten peilen. Zoon geeft zijn gevoel dus toch niet zo goed aan als ik had verwacht. Gehoopt is waarschijnlijk een beter woord. Je gunt je kinderen zo dat ze de hele dag naar school kunnen. Gezellig met hun vriendjes en vriendinnetjes in de klas, spelen op het schoolplein, kattenkwaad uithalen en samen gymmen.
Ideaalbeeld en dat werk niet voor hem. Het is overigens mijn ideaalbeeld. Dat besef ik me terdege. Niet die van hem. Hij wil rustig thuis zijn. Spelen met de lego, films kijken van zijn You tube sterren, kaasbroodje eten bij de Hema, ontbijten bij de Intratuin. Historische feiten opzoeken op het internet en dan zelf in de tuin gaan graven. Televisies uit elkaar halen en het binnenwerk bestuderen. Rustig, zonder mensen die geluiden maken, die smakken, die stinken. De vriendjes die komen spelen komen hier 9 van de tien keer omdat zoon geen nee durft te zeggen. Het zielig vindt. Voor die andere kinderen.
Nu moeten we een nieuwe basis vinden. Een nieuw startpunt van waaruit we gaan rijden. Langzaam aan. Ik vind het moeilijk. Want als hij alleen ’s ochtends naar school gaat, mag hij dan ’s middags nog wel spelen? Mogen we dan in het weekeinde nog wel naar een beurs? ‘Waarom heeft hij dit opeens?’ Die vraag kreeg ik afgelopen week. Hij heeft dit niet opeens. Maar de afgelopen jaren wisten we niet wat er met hem aan de hand was. Was hij soms weken achter elkaar ziek. Omdat zijn lichaam en zijn hoofd op waren. Bijna 3 jaar heeft de medische zoektocht geduurd. Nu kennen we de oorzaak en proberen we het voor hem zo te organiseren dat hij in ieder geval niet meer met hoge koorts thuis ligt. We zullen met deze autorit nog wel een paar keer van de weg raken. En dan nemen we de afslag naar een B weg of zelfs naar een parkeerplaats. En berekenen we de route opnieuw.
Zoon is daarbij de leidraad. Hij wordt niet gelukkig van een goedbetaalde baan met vrijstaande woning en een veel te grote auto. Boswachter wil hij worden. In Zweden. En daar woont hij dan met zijn vrouw en twee kinderen. Dat is zijn ideaalbeeld voor de toekomst. Laat ik nu eens gaan proberen om dat als uitgangspunt te nemen.

woensdag 1 februari 2017

Fietsen.

Het afgelopen jaar ben ik heel wat keren boos op de fiets gestapt. Zoonlief stapt op school op de fiets, maar komt vervolgens niet thuis. Vaak zag ik hem dan voor me het schoolplein af fietsen en stond ik of nog even met een andere ouder te praten, of ik stond met dochter in de fietsfile. Geeft niets, hij sloeg rechtsaf en hij weet de route, maar dan  na de klaar-overs op het rechte stuk, geen zoon te zien. Hoe kan dit nu weer? Zo hard kan hij toch niet fietsen? Steeds sneller en sneller moest dochter dan fietsen, ik moest en zou naar huis, want hier klopte iets niet.

Thuis geen zoon te zien, ik weer terug, net een iets andere route, tot halverwege school, zijstraat in en weer terug naar huis. Geen zoon, weer terug, andere zijstraten. En ondertussen word je radeloos van angst. Het idee dat je zoon voor je wegfietst, maar vervolgens nergens te zien is, maakt je gek in je hoofd. Hoe vaak zoon pas om kwart voor 1 bij de voordeur stond. (Dan moeten we dus weer terug naar school) 
Je eerste primaire reactie is pure boosheid, je hele lichaam ontspant en je kunt alleen maar boos zijn. ‘Waar was jij nu weer?!?’ Zoon keek me keer op keer niet begrijpend aan. ‘Op school en nu ben ik thuis.’ ‘Waar heb je dan al die tijd gezeten? Ik was je aan het zoeken!’ Zoon keek me nog steeds niet begrijpend aan. ‘Gewoon, ik zat op school en nu ben ik thuis om een boterham te eten.’ ‘Je bent ruim een uur aan het fietsen geweest! Waar was je? Ik heb je overal gezocht!’

Dochter naar school brengen, melding maken dat zoon iets later komt, want die moet van mij dan eerst eten, weer terug naar huis, en samen met zoon weer naar school. Het zal u niet verbazen dat ik dan om half twee lichtelijk uitgeput op de bank zat. Fietskilometers weer in the pocket. Om kwart over 3 fietste ik dan naast zoon. Geen millimeter ruimte kreeg hij.

Nu weet ik opeens dat ik al die keren boos ben geworden op een jongen die inderdaad geen idee had dat hij een uur onderweg was en nog steeds geen idee heeft waarom ik toch af en toe zo boos ben als hij aan komt fietsen. Zoon kan namelijk zo vol zitten in zijn hoofd van alle indrukken die ochtend op school (en voor school al thuis), dat hij letterlijk en figuurlijk de weg kwijt kan zijn. Hij stapt dan op de fiets en fietst. Een route. Willekeurig. En de ene keer komt hij na een kwartier thuis, de andere keer pas na een uur.

Zo heeft een moeder mij eens gewaarschuwd dat ze zoon bij de gemeentewerf zag fietsen. Haar zoon uit de auto en bij mijn zoon neergezet en snel terug naar het schoolplein waar wij hem aan het zoeken waren. Linksaf in plaats van rechtsaf geslagen. Met de gladheid kwam hij twee weken geleden tussen de middag lopend met de fiets aan zijn hand thuis. Tien voor 1. De eerste bel van school was dus al weer gegaan. Kwam hij thuis. Met een kapotte (nieuwe) fiets, standaard afgebroken, versnellingspaneel stuk, ketting er af en lakschade. Ik uiteraard weer boos. ‘Waar was je nou?’ Was hij ergens bij een laad en losruimte voor vrachtauto’s onderuit gegaan. Ik snapte helemaal niets van het hele verhaal, maar hij kon tot in detail vertellen hoe die losruimte er uit zag. Bij het winkelcentrum bleek naderhand. Rechtsaf van het schoolplein en in plaats van rechtdoor bij de klaar-overs rechtsaf geslagen en daarna pas rechtdoor.

Uit pure boosheid heb ik niet eens  naar zijn knieën gekeken. Totaal niet aan gedacht. Die zag ik ’s avonds pas. Onder de douche, kapotte knieën, maar pijn registreert hij niet, dus daar hoor je hem niet over. Waardeloze moeder ben ik. Maar nu weten we dus beter. Hij kan zo vol zitten van alle indrukken dat hij gewoon lekker gaat fietsen. Lekker ontspannen buiten zijn. Doe ik ook. Als ik het allemaal even niet meer weet, trek ik ook de natuur in. Lekker wandelen, fietsen, gek doen op de step. Wat ik heb geleerd? Dat ik op zoon moet vertrouwen dat hij uiteindelijk echt wel thuis komt, dat ik niet meer met ouders kan praten als zoon wegfietst en dat mijn boosheid echt MIJN boosheid is en alleen mij in de weg zit.


Vanmiddag deden we het anders. Ik liet zoon de weg wijzen naar huis en ik kwam op plekken waar ik in alle jaren dat ik hier woon nog nooit geweest ben, zag speeltuintjes waar zoon ging spelen en ontdekte sluiproutes op weg naar huis. Komt dus wel goed met hem. Ik denk alleen dat ik op school ga pleiten voor een langere lunchpauze.


vrijdag 13 januari 2017

Prikkels.

Op een ochtend word je wakker en lijkt je huis wel een zaal bij de fysiotherapeut. Er liggen twee grote oefenballen, waar dochter daadwerkelijk op traint en zoon hem nodig heeft om te stuiteren, al dan niet met hem er op, om mee te rollen, om mee te kegelen. Er ligt een pindabal. Geen grap, die dingen heten echt zo. Wat de functie van de pindabal is, ik heb werkelijk geen idee, maar zoon gebruikt hem als vervoermiddel. Zittend op de pinda, hopt hij door het huis. Zoon vond het een topidee om de pinda ook in te zetten om sneller van de trap af te komen. Deze moeder vond dat niet.

We hebben een zitkussen, een ergonomisch zitkussen. Kan zoon zijn rust vinden als hij op een stoel zit. Hoe? Geen idee! Hij zit in plaats van op een koude harde stoel op een gifgroene ronde rubberen schijf. Gifgroen dus. En het is de bedoeling dat hij door dat kussen minder wiebelt. Ik heb het even geprobeerd, even maar. Ik had het idee dat ik in een restaurant precies op die ene stoel ging zitten waar de ober net een warme pizza op had laten vallen.

Er is een koptelefoon gekomen. En dat is werkelijk het beste idee van de dag geweest. Zoon zet hem op zijn hoofd en kan uren heerlijk rustig liggen lezen, met de lego zitten te spelen en hij kijkt zelfs naar de televisie met koptelefoon. Af en toe plugt hij zijn koptelefoon in een draagbare computer en dan is hij daadwerkelijk van de bewoonde wereld af. Dan kan ik roepen, schreeuwen en dansend voor hem gaan staan, hij ziet en hoort niets en niemand meer.

Ook hebben we opeens meerdere planborden in huis. Na altijd geweigerd te hebben om met pictogrammen te gaan werken bij oudste zoon, want hoe vaak komt u in de supermarkt pictogrammen tegen? Of in de kleedkamer van de sportvereniging? In het bushokje? In de paskamer van de kledingwinkel? Hoe vaak wordt u buitenshuis geconfronteerd met tekeningen waarop een school staat, een tekening van hoe u uw handen dient te wassen? Nooit! Echt werkelijk nooit! Niemand die u in de kleedkamer wijs maakt dat u eerst uw sokken aantrekt en daarna pas uw schoenen. Niemand die u erop wijst dat u eerst uw trui moet aantrekken en daarna pas uw jas. Maar ik ben om. We hebben planborden. Meervoud inderdaad, want dochter vond het direct geweldig. Zo zaten we opeens op onze vrije woensdagmiddag stickers op kaartjes te plakken en ze te lamineren. Hele series vol. Eten we volgens schema fruit en gaan we naar school, omdat dat moet.

Schermtijd. Had ik altijd de grootste moeite om de kinderen ervan te overtuigen dat een uur per dag met een beeldscherm op schoot echt genoeg was, nu hebben we een afspraak: twee keer een half uur. Hoe en wanneer ze die tijd benutten, mogen ze helemaal zelf uitzoeken. Probleem was nog hoe ik die tijd ging klokken. Hadden de kinderen zelf een oplossing voor. Opeens blijkt er een stopwatch op die ipads te zitten. Waarschijnlijk standaard meegeleverd vanuit de fabriek, maar wijs als ze zijn, nooit aan mamma uitgelegd.


Heeft het effect? Ik denk het wel. Voor het eerst in tijden is zoon de hele week naar school gegaan, een paar moeilijke momenten hebben we gehad, maar op het moment dat hij buiten stond, gaf hij de strijd op en fietste naar school. Door regen, wind en hagel. Op zijn nieuwe mountainbike. Nu is het vrijdagavond en is hij moe, maar nog steeds aanspreekbaar. Wil hij naar het winkelcentrum om eindelijk, eindelijk nieuwe broeken te kopen en misschien zelfs wel een paar T-shirts.  En ja, ik draag geen roze bril, dus besef heel goed dat hij net twee weken vakantie heeft gehad en zijn accu heeft geladen, deze week geeft geen garantie voor de toekomst, maar was er in ieder geval 1!