maandag 1 juni 2015

Klopgeest.

De slaapkamer van de kinderen ligt aan de rechterkant van het huis. Op de eerste verdieping. Als je achter het huis staat, dan is de slaapkamer aan de linkerkant. Het is maar net hoe je naar het huis kijkt dus eigenlijk. Nisse slaapt aan 1 zijde en Rune en Julia slapen aan de andere kant. Heel gezellig. Pappa en mamma denken daar wel eens anders over, maar dan hadden ze maar een groter huis moeten kopen. Of minder kinderen moeten krijgen. Er zijn 3 kinderen en maar 1 slaapkamer, dus liggen ze regelmatig nog een hele tijd samen te kletsen. Of te giechelen , of maken ze ruzie. En als de kinderen ruzie hebben, vinden pappa en mamma dat niet heel erg leuk. Dan stampen ze om de beurt naar boven, en dan beginnen ze te bulderen. Of ze sluipen naar boven en bulderen dan net zo hard dat het nu toch echt stil moet zijn.

Omdat het huis dicht tegen het bos aan staat, horen ze altijd wel de bomen ruisen, of ze horen de vogels, de das die ergens zijn burcht heeft vlakbij het huis, een grazende eland of hert. Het bos is vol geluiden. Soms horen de kinderen geluiden die ze niet herkennen. Vreemde geluiden, alsof iemand op de deur klopt, en soms horen ze zelfs iemand lopen met zware schoenen. Dat zou helemaal niet moeten kunnen, want in huis mag je niet met schoenen lopen en de grond buiten is van veen, daar kun je geen zware stampende schoenen  op horen. Maar dat horen de kinderen dus soms wel. En zuchten. Die stampende schoenen worden gevolgd door diepe zuchten. Alsof iemand uiterst vermoeid terug komt van een uitputtende wandeling. Twee keer ging het zuchten over in snurken. Nisse durfde het aan om voorzichtig bij pappa en mamma te gaan kijken, maar die lagen rustig te slapen. Zonder zuchten, zonder snurken en zonder zware stampende schoenen.

Nisse, Rune en Julia snappen er niets van. Op een dag besluiten ze om het aan pappa en mamma te vertellen. Aan de keukentafel  bij het ontbijt beginnen ze te vertellen over het geklop en het gezucht. Het gesnurk laten ze nog even voor wat het is. Straks denken pappa en mamma dat de kinderen een klap van de molen hebben gehad, mogen ze ’s avonds geen detectives meer kijken. Pappa denkt dat het de wind is die om het huis loeit. Mamma zoekt de oplossing in de vlierbloesem boom die tegen het huis aan groeit. Na het ontbijt maakt ze direct korte metten met de boom. Als eerste snoeit ze de uitstekende takken van de struik en daarna zaagt ze de stam in stukken. Steeds kleiner wordt de boom tot er niets meer van over is gebleven. Rune zit binnen in de woonkamer en hij keurt het werk van mamma goed. Er komt opeens heel veel zonlicht het huis binnen.

Die nacht horen de kinderen inderdaad geen geklop en gezucht meer. Mamma is tevreden. Het was dus gewoon de boom. Maar tijdens de tweede nacht komt het geklop weer terug. De kinderen maken pappa en mamma wakker. Pappa hoort als eerste iemand heel hard zuchten en mamma geeft een gil als er opeens iemand begint te snurken. De kinderen kruipen die nacht allemaal bij mamma in bed. Pappa vindt dat ze zich niet zo moeten aanstellen, en gaat in het bed van Nisse liggen. Hij luistert een hele tijd naar het gesnurk tot het helemaal stil wordt in huis. Het is vast een das, het is vast een das, het is vast een das herhaalt pappa in zichzelf tot hij in slaap valt. De volgende ochtend als het weer licht is, gaan ze allemaal op onderzoek uit. Ze kijken onder de bedden, en zoeken naar verborgen ruimtes. Ze vinden niets. Pappa zoekt buiten naar het hol van de das. Die vind hij bij de oude Utedas. Die staat echter te ver van het huis vandaan om de geluiden te verklaren.

Aan de ontbijttafel is het deze ochtend stil, heel erg stil. Ieder is met zijn gedachten bij de afgelopen nacht. Waar komen die geluiden nu toch vandaan?  ’s Middags gaat mamma boven stofzuigen. Ze zuigt heel goed onder de bedden, ze neemt alle kieren mee en zelfs de inbouwkast wordt grondig gereinigd. Maar nergens komt ze een geheime ruimte tegen. Tot de stofzuiger achter een kast blijft haken. Mamma zit op dat moment half in de oude trapkast en geeft een ruk aan de stofzuigerslang. Door die beweging verschuift de oude kast naast de balkondeur een klein stukje. Als de trapkast ook weer helemaal stof en spinvrij is, ziet mamma dat de kast naast het balkon een stukje is verschoven. Als ze de kast terug wil schuiven, ziet ze iets vreemds. Naast de kast zit een schroef in de muur. Mamma schuift de kast nog een stukje verder van de muur af. Dan ziet ze nog meer schroeven. Met een vreemd gevoel in haar buik klopt ze op de muur. En dat klinkt hol. Heel erg hol. Mamma krijgt het ijskoud en ze rent naar beneden. ‘Ik heb het gevonden! Ik heb het gevonden!’ ‘Wat heb je gevonden?’ Vraagt pappa die de puzzel in de krant oplost. ‘Ik heb de geheime ruimte gevonden!’ ’Welke geheime ruimte?’ ‘De ruimte waar het geklop en gesnurk vandaan komt!’ ‘Kom op nou, je bent verdorie volwassen. Dat de kinderen de geluiden soms eng vinden in het donker is tot daar aan toe, maar dat jij nu ook al over geheime ruimtes begint slaat echt helemaal nergens op.’ Pappa is een beetje geïrriteerd en buigt zich weer over zijn puzzel. ‘Prima, dan los ik het mysterie zelf wel op. Geef me een  schroevendraaier.’ ‘Waar heb je die nu voor nodig?’ ‘Om de geheime ruimte te openen natuurlijk. Wie gaat er met me mee?’

De kinderen staan nu alle drie in de keuken en kijken naar mamma. ‘We durven alleen mee als pappa ook mee gaat.’ ‘Oké, oké. Ik ga wel weer. Laat maar eens zien wat je gevonden hebt.’ In optocht gaan ze naar boven. ‘Daar, naast de kast zitten schroeven in de muur.’ ‘En vanwege een paar schroeven, haal je mij van mijn puzzel weg? Het zijn een paar schroeven die iemand ooit eens in de muur heeft geschroefd. Niets bijzonders.’ ‘Maar waarom zou iemand schroeven in de muur willen schroeven?’ Dat weet pappa ook niet. Maar hij weet wel dat hij vandaag geen rust meer krijgt als hij niet nu de schroeven uit de muur draait. De eerste schroef gaat er makkelijk uit, maar de tweede zit iets dieper. Als de schroef er toch eindelijk uit is, verschijnt er een kier. ‘Krijg nu wat.’ Mompelt pappa. ‘Het zal toch niet?’ De kinderen staan naast mamma. Ze vinden het heel spannend.

‘Wat als er straks iemand achter dat luik ligt?’ ‘Dat kan natuurlijk helemaal niet! Wij wonen hier nu al 5 jaar. Wie zou er dan moeten liggen?’ ‘Iemand die vermist is.’ Rune kijkt met een ernstig gezicht naar de muur, waar de kier bij iedere schroef die eruit komt, breder wordt. ‘Jongens. Er ligt echt helemaal niemand achter de muur. Ik denk dat dit gewoon het oude luik van de schoorsteen is. Niets bijzonders. Kijk maar.’ Pappa heeft de laatste schroef in zijn handen en zet de schroevendraaier in de kier. Er zwaait een oude deur open. Pappa schijnt met zijn zaklamp naar binnen en deinst dan geschrokken terug. ‘Het zal toch verdomme niet zo zijn?’ Pappa is lijkwit en kijkt met grote verschrikte ogen naar mamma. ‘Het zal verdomme toch niet echt zo zijn?’ Mamma is heel bang, maar haar nieuwsgierigheid wint het van haar angst. Ze pakt de zaklamp uit pappa’s hand en duwt hem opzij.
Ze duwt de deur open en schijnt naar binnen. Haar ogen moeten even wennen aan het donker, maar dan ziet ze een enorme ruimte onder het dak. De slaapkamer van de kinderen zou eigenlijk een heel stuk breder kunnen zijn. ‘Misschien kunnen we de slaapkamermuur wel wegbreken, dan hebben de kinderen een grotere kame……’ Helemaal aan het einde van de ruimte staan twee schoenen. Twee grote zware mannenschoenen. Verder niets. Verder is de ruimte helemaal leeg. Twee grote zware mannenschoenen staan netjes naast elkaar.

Mamma ziet nog witter als pappa als ze begint te raaskallen over logeren in een Vandrarhem en over rusteloze mensen de deur wijzen.  En dus stappen ze even later met zijn vijven in de auto en laten ze de deur van het huis gewoon open. Rune, Nisse en Julia begrijpen er helemaal niets van. ‘Pappa, ligt er nu iemand achter die deur?’ ‘Nee, er ligt helemaal niemand in ons huis.’ ‘Maar waarom gaan we dan logeren?’ ‘Voor de gezelligheid. We gaan gezellig een keer ergens logeren. Vanavond lekker eten zonder de afwas te hoeven doen, lekker slapen en wakker worden met een ontbijtje met verse eieren en warme broodjes.’ ‘Dat kunnen we thuis toch ook doen?’ ‘Nee, dat kunnen we niet. We gaan vandaag gezellig uit logeren!’ Mamma klinkt heel boos. Ze klinkt helemaal niet alsof ze het gezellig vind dat we gaan logeren in een Vandrarhem.

In de Vandrarhem begrijpen de eigenaren niet zo heel goed waarom we willen logeren. Avondeten, dat doen we hier wel vaker, maar logeren? ‘Zijn jullie aan het schilderen en komen jullie daarom bij ons slapen?’ Julia legt uit dat er ’s nachts vreemde geluiden te horen zijn. Kloppen, zuchten, zware voetstappen gevolgd door gesnurk. De eigenaar van de Vandrarhem knikt en kijkt een beetje vreemd uit zijn ogen. ‘Jullie wonen toch aan de oude spoorlijn? In zo’n arbeidershuisje van spoormedewerkers?’ ‘Ja, dat klopt. Maar het spoor is weg hoor. We wonen zeg maar aan de oude spoordijk.’ ‘Wacht even.’ De man loopt weg en keert even later weer terug met een dik boek vol oude krantenknipsels. ‘Uit de omgeving. Mijn vader vond het altijd heel bijzonder als er iets uit deze regio in de krant stond. Dus knipte hij die artikelen uit. Kijk, geboorteadvertenties, een auto ongeluk en een verdrinking, een 100 jarige buurman.’ De kinderen kijken naar de artikelen en de vergeelde foto’s maar snappen niet wat dit boek te maken heeft met hun huis. ‘Kijk, hier staat het.’ De Vandrarhem man schuift het boek over tafel naar pappa en mamma.

Sprallig 24 december 1901,
In Spralling is de 35 jarige treinwachter Lasse  vermist. Hij is afgelopen vrijdag 2 december voor het laatst gezien toen de trein van Kulle naar Torv langskwam. Hij heeft de kaartjes van de passagiers geknipt en heeft nog een praatje gemaakt met de machinist. ‘Hij was net zo vrolijk als altijd en we hebben elkaar een prettig weekeinde gewenst.’ Toen de trein gistermiddag maandag 23 december, echter langskwam, was er van Lasse geen spoor. Wie meer weet over de verblijfplaats van Lasse kan de veldwachter bellen: 42808

‘Lasse was weg en hij bleef weg. Er verschenen in de eerste weken regelmatig stukjes in de krant. Soms had iemand hem in het bos gezien, soms als passagier in de trein, er kwam zelfs een melding dat hij naar het warme Spanje was vertrokken, maar eigenlijk kwam het verlossende antwoord nooit. Lasse was gewoon verdwenen.’ ‘Wat heeft dit met ons huis en met de gevonden schoenen te maken?’ ‘Lasse woonde en werkte in jullie huis. Misschien is hij overleden en is zijn lichaam nooit gevonden en komt hij af en toe nog eens kijken.’ ‘Maar dat verklaart toch niet waarom zijn schoenen achter een dichtgetimmerd schot stonden?’ ‘Nee, inderdaad. Daar hebben jullie gelijk in. Misschien is hij wel het slachtoffer geworden van een moord. En is zijn lichaam achter het schot verstopt. Zullen we de politie bellen en de schoenen laten ophalen?’

Samen met de Vandrarhem man rijden ze weer terug naar huis. Opeens is heel duidelijk dat ze over het oude spoor rijden. En als hun vertrouwde huis tussen de bomen door zichtbaar wordt, ervaren ze wat de passagiers rond 1900 ook moeten hebben ervaren. Een Smultronstalle midden in het bos. Een soort Hans en Grietje huisje. En heel even lijkt het net alsof er een man met een pet zwaaiend naar ze toe komt. Nisse, Rune en Julia zwaaien terug. ‘Naar wie zwaaien jullie?’ Vraagt mamma met een verbaasde blik in haar ogen. ‘Naar die meneer met die pet die daar liep.’ Antwoord Julia. ‘Welke meneer met pet?’ Vraagt pappa en de volwassenen kijken alle drie om zich heen. Aan het begin van de spoordijk draait de politiewagen hun pad op.

‘Zo, dus jullie hebben een paar oude schoenen gevonden waarvan jullie denken  dat ze van de vermiste Lasse zijn? Laten we maar eens gaan kijken naar die schoenen en naar die geheime ruimte.’ De politieagent loopt met zijn hond door de tuin in de richting van het huis. Aarzelend volgen de kinderen hem. Ze zijn een beetje bang voor de grote hond, maar nog banger voor wat er straks gevonden gaat worden in de geheime ruimte. Straks hebben ze 5 jaar naast een skelet geslapen. Dat zou wel heel erg griezelig zijn.

‘Laat maar eens zien waar de schoenen staan.’De agent trekt zijn laarzen uit en zet ze op de veranda. Pappa gaat voorop, de politieagent loopt vlak achter pappa en de anderen volgen. Iedereen is stil. ‘Hier, kijkt u maar. Hier vonden we een luik en daar helemaal achteraan staan de schoenen. Wilt u mijn zaklamp gebruiken?’ pappa ratelt aan 1 stuk. Die is ook zenuwachtig denkt Nisse. De agent neemt de zaklamp van pappa over, tuurt in de ruimte en klikt de lamp weer uit. ‘Ik zie helemaal niets. Geen schoenen, geen lichaam, zelfs geen spinnenweb. Alleen een paar oude wespennesten.’ ‘Hoe kan dat nu? Er staan toch duidelijk schoenen!’ pappa schijnt met de zaklamp naar binnen en begint opnieuw te mompelen: ‘het zal toch niet? Het zal toch verdorie niet?’ Mamma neemt de lamp weer van pappa over en ziet ook geen schoenen meer staan. ‘Hij is het huis uit. Hij heeft na zoveel jaren eindelijk de uitgang weer gevonden.’ De agent gaat hoofdschuddend naar beneden, trekt zijn schoenen aan, neemt de hond weer mee en stapt in de auto.

Samen met de Vandrarhem man rijden de kinderen met pappa en mamma weer terug. Ze zijn allemaal met hun gedachten bij de geheimzinnige schoenen en bij de verdwenen Lasse. ‘En toch stonden er schoenen.’ Zegt pappa als hij zijn fotocamera tevoorschijn haalt. ‘We zijn toch niet gek?’





Na hun logeernacht in de Vandrarhem gingen ze weer gewoon terug naar huis. In de jaren die volgden hoorden ze nooit meer zuchten, nooit meer zware voetstappen, nooit meer gesnurk, Behalve dan van pappa, en hoorden ze nooit meer iemand kloppen. Maar iedere keer als ze over de spoordijk aan kwamen rijden naar huis, stond daar een man met een pet naar de kinderen te zwaaien. En de kinderen zwaaiden altijd terug.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen