maandag 16 november 2015

Jonge Rorik en de slag bij Hoogwoud.


1247

In een gure Herfstnacht  waait de wind rond het huisje van een West Friese boer. De hagel doet verwoede pogingen om een bres te slaan in het dak, en de rukwinden laten het huisje met regelmaat schudden. Dan, bij het ochtendgloren komt er een nieuw geluid bij. Het schreien van een baby. Precies dan, gaat de storm liggen en mag de wereld zien dat er een nieuwe trotse West Fries is geboren: Rorik.

1254-1255

‘Rorik! Wil jij voor je straks weg gaat de eieren voor me rapen?’ Mamma staat in de deuropening met een kleine hummel in een doek op haar armen. Rorik is een trotse grote broer. De kleine Ada groeit als kool op de melk van de twee geiten. Nog even en ze kan wel mee op strooptocht. Dan leer ik haar eenden vangen, vissen uit de netten halen en appels uit de boomgaard van de rijkelui stelen. Die paar sappige appeltjes missen ze toch niet. Rorik loopt een rondje over het sobere plaatsje voor het huis. Eieren, iedere dag 10 eieren. 4 voor onszelf en 6 voor de verkoop. En als een kip stopt met leggen; een heerlijk gebraden kippetje. Hmmmm! Het water loopt Rorik in zijn mond.

‘Kijk mam, 10 eieren. Wanneer komt vader terug uit Alkmaar?’ ‘Voorlopig niet jongen. Er zijn besprekingen gaande. De graaf wil dat wij ons weer aansluiten bij zijn graafschap, maar daar moet wel iets tegenover staan. We gaan onze vrijheid niet opgeven alleen om de kas van de graaf te spekken.’ ‘Is het goed als ik zelf bij de netten ga kijken? Dan hebben we vanavond misschien ook wel verse vis bij de maaltijd.’ ‘Dat is goed jongen. Ga jij maar kijken bij de netten. Als je maar voorzichtig doet.’

Voorzichtig, voorzichtig, wat kan mij nu gebeuren? Toch helemaal niets? Nou ja, ik kan in het water vallen, of mijn schoen verliezen in een veenlaag, maar verder loert hier geen gevaar. Dat gevaar ligt in Alkmaar en in de Zuidelijke Nederlanden. Mamma maakt zich veel te veel zorgen. Rorik stapt stevig door en merkt aanvankelijk niet dat er aan de horizon vreemde schijnsels te zien zijn. Pas als hij bij de eerste netten is, bemerkt hij de oranje gloed. ‘Brand, er staan daar huizen in brand. Het zijn de dorpen bij Alkmaar. Broek en Vronen. Er is iets behoorlijk mis daar!’ Rorik haalt de netten vlug binnen en rent zo snel als de natte zompige ondergrond het mogelijk maakt, terug naar huis.

‘Mam, er is iets aan de hand aan de overzijde van het Waardmeer, er branden huizen!’ ‘Dat klopt jongen, de Graaf is ten strijde getrokken en heeft al enkele dorpen geplunderd en in brand gestoken.’ ‘Vader!’ Rorik vliegt zijn vader in de armen. ‘U bent weer terug. De besprekingen zijn dus niet goed verlopen?’ ‘Nee Rorik, de graaf wil dat wij ons ten dienste stellen aan zijn legers en dat wij ook nog belasting betalen. We worden gedwongen om onze oogsten in te leveren en we krijgen helemaal niets terug. Geen extra bescherming, geen wegen, helemaal niets! Alle aandacht stijgt die Rooms- koning naar zijn hoofd!’ ‘Er branden dorpen aan de overzijde van het water, nu zal het niet lang meer duren voor hij hier is. We moeten een veilig heenkomen zoeken vader.’ ‘Dat zal zo’n vaart niet lopen. De dorpen die hij nu heeft veroverd liggen dicht bij Alkmaar en op een zandwal. Om bij onze huizen te komen, moet hij het water oversteken en daar zijn die grafelijke legers huiverig voor. Ik denk dat ze pas in het late voorjaar verder trekken, als de waterstanden laag zijn. Dan kunnen ze met hun paarden goed vooruit komen. Voor nu hebben we niets te vrezen. Laat die vissen nu eens zien jongen.’

De natte zomer trekt in 1 beweging door naar de herfst. Het water staat overal heel hoog, de West Friezen weten precies waar ze kunnen lopen en kunnen varen. Weliswaar mopperen ze over het water, over de natte kleding van de kinderen die iedere dag wel een keer te water vallen, maar ze weten ook dat de Graaf niet aan zal vallen zolang het water hoog staat. De Herfst  gaat over in de winter. De nachten worden kouder en af en toe valt er al sneeuw. Iedere dag kijkt Rorik naar de overzijde van het water. Daar staan de kampementen van de grafelijke legers. De graaf zelf zal daar niet zijn. Die zit hoog en droog in kasteel Nieuwburg. Zijn manschappen liggen aanvalsklaar op aanvang van de strijd te wachten.

1256

‘Pappa, volgens de vader van Harold heeft de graaf zich met zijn legers weer in beweging gezet. Er zijn ridders te paard gesignaleerd die tussen het Waardmeer en de Schermer oprukken in de richting van Drechterland. De Graaf zelf trekt over het Waardmeer onze kant op. De mannen verzamelen zich in de rietkragen pap. Wij moeten ons ook klaar gaan maken. De strijd gaat nu echt losbarsten pap. We moeten mamma en Ada in veiligheid brengen en ons bij de andere mannen voegen.’ De vader van Rorik legt lachend zijn handen op de schouders van zijn zoon. 9 jaar en dan al zo onverschrokken. ‘Je hebt gelijk jongen, de strijd gaat beginnen. De graaf denkt dat het ijs hem voldoende bewegingsruimte zal geven om via Hoogwoud naar Medemblik te komen. Maar dat zal hem, vies tegenvallen. Wij kennen dit gebied op ons duimpje en zullen in hinderlagen liggen.’ ’Mag ik meevechten vader? Toe, alstublieft, mag ik meevechten om ons huis te verdedigen? Ons vrije leven?’ ‘Dat mag jongen, maar nu brengen we eerst je moeder en je zus in veiligheid.’

Rorik kijkt toe hoe vader de deur van hun huisje achter zich dichttrekt. Op zijn schouders zit de kleine Ada. Moeder loopt met een bundel eten en kleding het erf af. Rorik kijkt nog een laatste keer om. Misschien zal hij zijn huis nooit meer terugzien. De kippen lopen onwetend van wat komen gaat over het erf en pikken her en der naar losgewoelde wormpjes. Moeder en Ada gaan naar een boerderij in de buurt van Obdam. Verder het land in, verder van het water verwijderd. Het water dat nu veranderd is in een ijsplaat waar de vijand makkelijk over zal trekken.   

‘Rorik kom, we moeten dicht bij elkaar blijven. Door die mistbanken kunnen we elkaar makkelijk uit het oog verliezen. Je moeder zal het me nooit vergeven als er iets met je gebeurd.’ Wat een uur geleden nog als een spannend avontuur was begonnen, is nu veranderd in echte werkelijkheid. Rorik is met zijn vader op weg naar de rietlanden bij het Berkmeer. Het vermoeden bestaat dat de graaf met zijn manschappen via het bevroren water van het Berkmeer in de richting van Hoogwoud zal gaan. En precies in de overgang van het water naar het land zullen de West Friezen in een hinderlaag liggen om hem gevangen te nemen. De rietkragen vormen een goede bescherming voor de West Friese strijders en vormen tegelijkertijd voor de grafelijke legers groot gevaar.

‘Ssst, plat op de grond, ik hoor een paard. Maak je klein.’ Vader gaat op zijn hurken zitten en Rorik duikt plat op de grond. Het koude water dringt diep door in zijn kleding. Op een halve meter afstand trekt een paard langs. Als hij gepasseerd is, komt vader weer overeind. ‘Alleen!, er loopt er hier 1 alleen. Die is letterlijk en figuurlijk de weg kwijt. Wie trekt er nu alleen ten strijde? Kom jongen, nog een klein stukje, dan zijn we bij de andere mannen.’ Rorik en zijn vader lopen langs het water in de beschutting van de rietkragen. Achter zich horen ze uitgelaten zingende mannen van het Hollandse leger.  ‘Wat een idioten. Wie gaat er nu zingend ten aanval?’ ‘Misschien zijn ze bang in de mist en zingen ze elkaar moed in.’ ‘Dat zou heel goed kunnen Rorik, dat zou zomaar kunnen.’ Vader kijkt bedachtzaam om zich heen en loopt dan weer verder in de richting van de andere mannen.

Met nog een paar meter te gaan tot waar Harold en zijn vader liggen, horen ze voor zich het kraken van het ijs; het angstige gehinnik van een paard die het ijskoude water inzakt en geen kant op kan vanwege zijn zwaarbepakte ruiter; en het vloeken van een man. Tegelijkertijd stormen tientallen West Friezen uit hun hinderlaag vandaan en slaan de onfortuinlijke ruiter een kopje kleiner. Rorik en zijn vader kijken elkaar aan en beginnen te rennen. De laatste meters naar het krijgsgeweld duren uren als Rorik er later aan terug denkt. In werkelijkheid staan ze binnen een minuut te kijken naar een groot gat in het ijs en een doodgeslagen man aan de wal.

‘Stelletje idioten! Zien jullie niet wie dit is? Zien jullie niet wie jullie hebben vermoord? Dit gaat problemen opleveren, wat ik je brom. Dit! mijne heren, is de Rooms Koning, Graaf Willem de tweede! We moeten hem begraven, hem verstoppen voor de rest van zijn leger hier is.’ De West Friezen die net nog uitgelaten hebben staan te lachen bij het lichaam van de door het ijs gezakte man kijken nu in paniek om zich heen. Een koning vermoord, ze hebben een koning vermoord! Dat is nooit de bedoeling geweest, een koning neem je gevangen om losgeld te kunnen vragen, en om te onderhandelen over vrijstellingen. Een koning maak je niet dood.

‘Ik weet iets, in Hoogwoud staat een boerderij en de boer is naar Medemblik vertrokken. We kunnen de koning daar begraven zonder dat iemand het doorheeft.’  In het duister van de avond en geholpen door de mistbanken bereiken Rorik, zijn vader en 4 van de sterkste West Friezen de bewuste boerderij. Snel wordt er een provisorisch graf gegraven. Het lichaam van de koning wordt verstopt. ‘Nu maar hopen dat niemand hier ooit achter komt. Want dan zullen we een zware strijd te strijden hebben. Kom jongen, we gaan weer naar Het Berkmeer. Kijken hoe de zaken er daar voor  staan.’


Het is inmiddels nacht als de mannen terug zijn aan de oevers van het water. Er heeft een hevige strijd gewoed. De manschappen van de graaf zijn bijna allemaal in de hinderlaag gelopen. Net als hun Koning een paar uur daarvoor. Slechts enkele soldaten zijn gevlucht en keren terug naar Alkmaar, waar ze verslag doen van de hinderlaag en van het overlijden van hun koning.  Er gaat een schokgolf door Europa. Een koning doden, dat is ongehoord. De barbaarse West Friezen zullen gestraft moeten worden! Het zal echter tot 1282 duren voor die straf daadwerkelijk uitgevoerd zal worden. 

Schilderij uit de collectie van het West Fries museum. Bron: westFries genootschap.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen